Door: Peter Middendorp 
Gepubliceerd: donderdag 27 september 2007 22:07
Update: vrijdag 28 september 2007 07:55
Het begon er allemaal mee dat ik dacht dat je bij Ferry moest zijn als je iets van het leven op het Binnenhof wilde begrijpen. Van de politiek. De journalistiek. De wisselwerking tussen de twee, die klef moest zijn, heel klef; ze zaten daar de hele dag boven op elkaar.
Ik stuurde hem een nette e-mail, waarin ik inging op mijn plannen – ik zou me voor een jaar in Den Haag vestigen om een boek over het Binnenhof te maken, ja, schreef ik, het ging hier om een literair non-fictieproject – en ik voegde er een lijst met referenties aan toe die zelfs op iemand als Ferry indruk moest kunnen maken. Twee weken later kwam het antwoord: ‘Ik voel niets voor een rol in jouw dagboekaantekeningen of zoiets.’

'We gaan zo live. Kun je een andere keer terugbellen?' | Foto: Hollandse Hoogte
Zonder het leuk te vinden, had ik hier meteen al een Haagse reflex te pakken, een Haagse manier van doen. Als je in Den Haag zegt: je hebt het niet van mij, dan heeft men het ook niet van jou. Maar in het gewone leven verklaar je je met zo’n houding natuurlijk vogelvrij. Zolang je iemand niet leert kennen, blijft hij een fenomeen, abstract en zonder gevoelens, die je zonder wroeging kunt bespotten of onderwerp maken van roddel en laster.
Ik schreef: ‘Zou u dan misschien eens een oriënterend kopje koffie met me willen drinken?’
Kopje koffie
‘Een ‘oriënterend kopje koffie’, mailde hij enigszins vermoeid terug, ‘zoals jij dat dan noemt, daartoe ben ik wel bereid.’ Dit bericht sloot af met ‘ferry’ en een mobiel telefoonnummer.
Misschien had ik hier al moeten begrijpen dat Ferry geen man was die ik af en toe eens aan zou kunnen schieten, even iets zou kunnen vragen, misschien eens uit kon nodigen voor een broodje en wat privéduiding in journalistenrestaurant Nieuwspoort. Maar dat deed ik niet. Ik belde hem op. Aan de andere kant van de lijn bleef het een tijdje stil. Toen kwam het: ‘Ja?’
‘Spreek ik met Ferry Mingelen?’
‘Ja?’
‘Hallo’, zei ik, ‘met Peter.’
‘…’
‘Peter Middendorp.’
‘…’
‘Die van die dagboekaantekeningen of zoiets.’
‘Oh, eh. Ja. Is ook zo. Wacht even.’
Opnieuw was het een tijdlang stil aan de andere kant van de lijn – ik hoorde alleen wat ruisen en getjilp –stond Ferry misschien ergens in de bosjes?
Het duurde een halve minuut voordat hij weer aan de telefoon kwam. ‘Ja?’
‘U schreef dat ik u kon bellen voor een oriënterend kopje koffie.’
‘Je had me niet op een vervelender moment kunnen bellen’, zei hij. ‘Over een kwartier wordt het nieuwe kabinet gepresenteerd. We gaan zo live. Kun je een andere keer terugbellen?’
Voor mij was nieuws over een nieuw kabinet nog iets dat ik met de late avond associeerde; na tienen, met Het Journaal en Nova, of met de vroege ochtend, als je de kranten las. Ik had natuurlijk moeten weten dat het nieuws daar live gebeurde. ‘Stomme fout’, zei ik. ‘Wat is een goed moment om u te bellen?’
‘Kijk maar’, zei hij. ‘Ik moet gaan.’
Nieuw appartement
Begin april verhuisde ik naar mijn nieuwe appartement aan de Lange Poten; vijfenvijftig vierkante meter onder een laag balkenplafond, waar doorheen ik het brokkelige gezinsleven van de bovenburen op de voet kon volgen. Kranen lekten. Sloten werkten niet. Het rook er zoet van het ongedierte, dat je overal achter de muren kon horen kruipen. Maar het was wel lekker dicht op mijn onderwerp – ik hoefde de straat maar over te steken of ik stond voor de Tweede Kamer.

Kenmerkend voor zijn presentatie is het typisch Mingeliaanse mengsel van duiding en ironie | Foto: Hollandse Hoogte
Ik stond vroeg op, las alle kranten en weekbladen, zocht Teletekst en internet af op Haagse nieuwtjes. Na een week wist ik elke dag precies wat er de dag daarvoor was gebeurd.
Bijeenkomsten, persconferenties, toespraken, interviews – je kon me alles vragen, behalve hoe je bij de bijeenkomsten, persconferenties en toespraken aanwezig kon zijn. Waar ze werden gehouden. Hoe je daar achter kwam.
Hoewel Ferry hier natuurlijk uitkomst had kunnen bieden, had ik toch de neiging weg te duiken als ik hem ergens zag. Ik weet niet precies wat het was tussen Ferry en mij; het korte contact per mail en telefoon had me niet veel goed gedaan.
Soms ging ik een droogrekje halen voor in mijn nieuwe huis en liep hij met gelijkmatige passen over de Lange Poten. Hij leek niet in gedachten verzonken, terwijl het daar op zijn leeftijd misschien wel eens tijd voor werd. Hij keek niet boos, hij was niet blij. Het enige dat opviel, was dat zijn kapsel en zijn huid niet hetzelfde tempo van verval hadden gevolgd; de scheiding – fris en glanzend – kwam er minstens twee decennia achteraan.

'Ik ga je niet vertellen wie ik een lul vind' | Foto: Hollandse Hoogte
Soms ook stond ik op de stoep voor mijn huis ruzie te maken met een monteur van de KPN en zag ik Ferry journalistenrestaurant Nieuwspoort uitstappen. Of instappen. Hij had dan geen kladblokje in zijn handen, nergens was een pen zichtbaar, en verder kon ik uit zijn manier van zich over het Binnenhof voortbewegen alleen opmaken dat hij niet van gezelschap hield – waar was Joost Karhof, waar liep Pim van Galen, waar stond Nienke de Zoeten, waar was de camera? Ik wist het niet. Ferry liep altijd alleen.
Ik genoot ook helemaal niet meer van Den Haag Vandaag. Misschien had ik in mijn leven al veel te veel naar dat programma gekeken, veel te lang geluisterd naar dat typisch Mingeliaanse mengsel van duiding en ironie, waarbij de ironicus – zo zag ik nu pas – altijd op het punt stond een beetje lacherig te worden van zijn eigen ingevoerdheid.
Voor mij was dat niet goed. Voor het land waarschijnlijk ook niet. Het werd tijd dat iemand anders zich met de zaak zou bemoeien. Een vers iemand. Zonder vriendschappen, zonder belangen. Ik. En zo, met deze wat hooghartige houding, stak ik half april voor het eerst de straat over om de situatie in het parlement persoonlijk in me op te nemen.
Het was saai in de Kamer.
Er gebeurde niets.
Honderd dagen was het nieuwe kabinet in de wijken met de burger in gesprek – je had, zei men hier, geen slechter moment kunnen uitkiezen om met je project te beginnen.
Ik maakte evengoed mijn uren op de perstribune; een rij stoelen met tafels voor de publieke tribune, vlak voor een heuphoge, houten balustrade. De revolutie was misschien gaan liggen, maar de Hollandse onvrede leek voorgoed in het Kamerlandschap geïnterneerd.
Links en rechts in de Kamer zaten twee grote, volksconservatieve blokken, de Partij voor de Vrijheid en de Socialistische Partij. Daarnaast zaten de spagaatpartijen, de VVD naast Wilders, de PvdA naast de SP, hun voeten te verdelen tussen wat ze vonden en wat ze dachten dat de kiezers wilden horen.
Hiertussen speelden de CDA’ers met hun nieuwe Blackberries. Dat zijn moderne telefoons waar je ook mee kunt e-mailen. De CDA’ers hadden die van Jack de Vries gekregen, de grote man achter Balkenende en de honderd-dagenshow. Als de top van de partij in vergadering was, kregen alle CDA’ers in het land op hun Blackberries te lezen wat ze tegen de pers moesten zeggen als ze werden gebeld.
Helemaal vanuit het platgedrukte midden kon je af en toe iets horen opklinken dat van Pechtold of Halsema afkomstig was – het niveau in de Kamer was laag, telkens als iemand een dom voorstel deed, kon Femke weer naar de microfoon lopen om uit te leggen hoe het ook al weer werkte, democratie, zodat iedereen haar een zeurkous en een betweter ging vinden, op wie ze dan ook vet niet meer gingen stemmen.
De vraag was: waar waren de journalisten? Waar was Ferry? Waarom zat ik alleen op de perstribune? Als ik bij de vergadering zat, leek het alsof de Kamerleden woordelijk herhaalden wat ik die ochtend al in de kranten had gelezen. En als ik naar een debat zat te luisteren –
Fleur Agema (PVV): ‘Hun weten niet eens wat kindermishandeling is!’
Agnes Kant (SP): ‘Armoede is ook een vorm van kindermishandeling!’
Rita Verdonk (VVD): ‘Ik ken anders genoeg mensen die prima kunnen rondkomen.’ – kon ik de journalisten door de ramen van de achterwand op de eerste verdieping zien staan. Hoefden zij niet aan het werk? Hoefden zij niet te luisteren naar wat de politici zeiden? Nam de pers hier soms het initiatief? Was de Kamer een spel? Een ritueel? Ik begreep het niet. Ik moest daar ook naartoe.
Vroeger was de wandelgang de echte wandelgang, direct achter de plenaire zaal, waar de parlementariërs konden bellen of overleggen met collega’s of de pers, maar op een gegeven moment begonnen deze bilateraaltjes de vergaderingen zo te verstoren dat de wandelgang werd gesloten voor journalisten en de eerste verdieping van het Kamergebouw in gebruik genomen.
Deze ruimte werd gedeeltelijk overhuifd door de bekende roltrappen, die naar de tweede verdieping en de tribune gingen. Er stond een lange balie van blank hout, waarachter de bodes zaten, en waar Ferry wel eens tegen leunde als hij alvast een stand-upje voor de camera deed, terwijl de vergadering binnen nog even verder ging.
Het was er vooral druk tijdens het wekelijkse Vragenuur op de dinsdagmiddag, waarmee de parlementaire week begon, want daarna moest elk Kamerlid aanwezig zijn voor de stemmingen. Dan stonden er zo’n dertig journalisten op hen te wachten, kladblokjes en microfoons in de aanslag. Ze zagen er netjes uit: kennelijk hoorde het bij het beroep van parlementair verslaggever dat je je in dezelfde maatpakken hulde als de mensen bij wie je om quootjes moest vragen, dat je je zodanig met je onderwerp ging identificeren dat de verschillen langzaam werden opgeheven.
Er leek systeem te zitten in de wijze waarop de journalisten zich ten opzichte van elkaar hadden opgesteld. Ze stonden er in clubjes van twee à drie, alle clubjes een eindje uit elkaar. Je kon niet horen wat ze tegen elkaar zeiden, want ze praatten op gedempte toon met elkaar, en als ik er wel eens luchtig langsliep of er even bij kwam staan, vielen de gesprekken stil, en keek men naar mij, de nieuweling.
Joost Karhof was er vaak. Rutger van Santen van de Wereldomroep. Dominique van Het Journaal. Die lange man van Radio 1. En heel soms Ferry, luisterend naar wat zijn ondergeschikten zoal uit Kamerleden wisten te halen. Dan stelde hij zich vlak achter de cameraman op, het hoofd scheef, de mond een eindje open. Als iemand hem iets probeerde te vragen, trok hij met duim en wijsvinger aan zijn oorlel en zei: ‘Ssst!’
Dag in dag uit stonden ze daar, vaak jarenlang, en Ferry volgens mij al vanaf het einde van de jaren zestig. Allemaal stelden ze dezelfde vragen aan dezelfde mensen, raadpleegden ze dezelfde bronnen, schreven dezelfde berichten, en sloegen op teevee dezelfde teksten uit. In Amerika heette dit pack-journalism, en het was moeilijk je aan de packte onttrekken: nieuws was pas echt nieuws als iedereen het had, en hoe meer kranten dat nieuws op de voorpagina zette, hoe belangrijker de pack het nieuws maakte, des te belangrijker het zichzelf kon vinden.
Eigen parkeerplek
Het cliché wilde: de journalist was objectief. Maar in werkelijkheid was hij iemand die op een staatsbeurs vier jaar naar een staatsinstelling ging om te leren hoe je de staat moet controleren, en dit de rest van zijn leven bij een door de staat gesubsidieerde omroep in praktijk bracht. In de Tweede Kamer werd er dan ook nog eens opvallend goed voor journalisten gezorgd; ze hadden een eigen perstoren met eigen redactieruimtes, een eigen tribune, een eigen restaurant, en voor de mensen die lang en braaf meewerkten kwam het hoogst haalbare in beeld: een eigen parkeerplek in de parlementaire parkeergarage onder het Plein.
Na een tijdje kreeg ik wel in de gaten dat de kamerbodes de agenda van de vergaderingen iedere ochtend op de balies legden. Als daarop bijvoorbeeld stond dat er die avond een spoedvergadering was gepland over dierenactivisme, ging ik vroeg eten, en stond ik om kwart voor acht met gepoetste tanden op de perstribune.
Hele Kamer leeg. ‘s Avonds bleek Ferry dan bijvoorbeeld op een partijbijeenkomst in Leiden te staan, waar de PvdA’ers de smadelijke verkiezingsuitslag informeel van zich af probeerde te borrelen.
Een ander deel van de journalisten had terzelfder tijd op het ministerie van Onderwijs het laatste nieuws uit de mond van minister Plasterk opgetekend.
Hoe wist Ferry waar hij moest zijn?
Waar was dat spoeddebat gebleven?
Saaie vergaderingen
Hele dagen zat ik zo goed als in mijn eentje naar die saaie vergaderingen te luisteren, en als ik in de kranten keek, leek het wel alsof er nog een andere Kamer bestond, waar ze dingen bespraken die ik niet kon horen.
‘Kamer wil verbod op dierenseks.’; ‘Kamer verbiedt bling-bling in de gevangenis.’; ‘Kamer maakt zich zorgen over WMO.’ Elke dag stonden de kranten vol van zulke zaken, en ik kreeg er niets van mee, terwijl ik toch van iedereen veruit de meeste uren in de Kamer maakte, de enige was die alle vergaderingen bijwoonde.
Somberheid
Ik begon een zekere somberheid te voelen over mijn nieuwe literaire non-fictieproject – en stond dan ook al op het punt om te capituleren en Ferry hulp te vragen – toen mij ter ore kwam dat Den Haag Vandaag maar over één camera beschikte. Het vergde niet veel denkwerk om te achterhalen waar ze die camera naartoe zouden sturen: daar waar het nieuws was natuurlijk.
Zo kon het gebeuren dat ik op een middag opgewekt in de Troelstrazaal zat, vlak naast de camera van Den Haag Vandaag en de rest van de pack – eindelijk op de goede plek. Alle defensiewoordvoerders van de partijen waren aanwezig. Enkele hoofdmannen van ons leger. Wilders wees naar Koenders en zei tegen de generaals: ‘Daar zit onze minister van Ontwikkelingssamenwerking. Op een héle grote zak met geld. U mag pakken wat u wilt.’
Ik ging op tijd naar huis, kookte gezond, en zette me ’s avonds tevreden voor Den Haag Vandaag. Maar terwijl ik boontjes had staan doppen, was de hele pack achter Ferry aan naar Amsterdam gereisd, want de voorzitter van de PvdA was afgetreden en het hele Afghanistan-debat deed er niet meer toe. Toen gaf ik het op.
Twee Ferry Mingelens
Een paar uur na ons gesprek zou ik opschrijven in mijn dagboekaantekeningen of zoiets: ‘Er bestaan twee Ferry Mingelens. Je hebt de Ferry van de televisie. Dit is alleen de bovenste helft. En je hebt de echte, dagelijkse Ferry. De Ferry met heupen, benen, voeten. De totale Ferry. Als Ferry in beeld is, zie je niet dat hij van onderen geen pak draagt, geen pantalon die bij het colbertje past, maar een spijkerbroek, die onparlementair hoog is opgetrokken.’
Natuurlijk: ook zonder de broek was het een beetje vervreemdend om Ferry in zijn geheel te zien. Hij praatte ook anders in het echt. Minder geaffecteerd, leek het wel. Normaler. Kon je hem op de televisie nog wel eens een beetje een wijsneus vinden, in het echt was hij een gewone man.
Zwaaien
We zaten aan een houten tafel onder de bomen. Ferry deed aardig, ik deed aardig, we bestelden een drankje, en Ferry had het de eerste vijf minuten druk met het zwaaien naar bekenden en het in ontvangst nemen van rapporten van toevallig passerende ambtenaren; want zo zag zijn leven er nu eenmaal uit.
Hij schoof zijn bril op zijn voorhoofd en wreef zich een paar keer in het gezicht. ‘Vooraf twee dingen,’ zei hij, en zette de bril terug. ‘Ik heb een verschrikkelijk slecht geheugen. Ik weet niets. Als je feiten wilt, moet je bij Pim van Galen zijn. Die weet alles. Ik niet, ik weet niets meer.’
‘Ik hoef op zich geen feiten’, zei ik.
‘En ik ga je ook niet vertellen wie ik een lul vind. Ik weet: voor jou is dat natuurlijk hartstikke leuk, want dan kun je dat mooi opschrijven, dat begrijp ik allemaal wel, nee, je hoeft me niet te onderbreken, ik neem je dat ook helemaal niet kwalijk, maar ik moet hier nog verder, dus dat ga ik mooi niet doen.’
‘Ik ga jou ook niet vertellen wie ik een lul vind’, zei ik.
‘Oh’, zei hij. ‘Nou ja. Goed. Dus je wordt door de Volkskrant betaald om dit te doen?’
‘Hoezo?’
‘Nou gewoon: betaalt de Volkskrantjou voor dit project?’
‘Nee’, zei ik. ‘Ja, hooguit als ik iets voor ze schrijf. Ik ben freelancer.’
‘Dus je wordt niet betaald door de Volkskrant om dit te doen?’
‘Eh, nee’, zei ik.
‘Door wie word je dan betaald?’
‘Ik word niet betaald’, zei ik. ‘Ik doe dit zelf. Ik…’ (Inmiddels werkt Middendorp voor Dagblad De Pers, red.)

In hetzelfde pak als de mensen bij wie hij om quootjes vraagt
Op zijn gezicht begon zich iets af te tekenen dat ik pas een maand later begon te begrijpen, toen ik bij Joost Karhof in de auto van Hilversum terugreed naar Den Haag; midden in de nacht was dat, ik had een uitzending van Nova op de redactie mogen bijwonen. Joost had zijn loopbaan voor me uit de doeken gedaan, en daar zaten allemaal banen bij. En toen hij daarna uit fatsoen naar de mijne begon te informeren, kwam uit dat hij het vreemd vond dat ik geen baan had. Nooit gehad ook.
Vinden ze vreemd, geen banen.
Minderwaardig misschien wel, als ze diep in hun hartjes kijken.
Misschien, zo realiseerde ik mij in de auto van Joost – het was een blauwgrijze Alfa Romeo en hij wist daar wel raad mee zeg, dat kon niet op, hij reed met een vaartje van 140 à 150 over de nachtelijke A-zoveel, en hij kende daarvan alle bobbels en oneffenheden, kondigde ze vooraf ook aan, twee seconden voordat wij inderdaad even synchroon opveerden van de lederen bekleding – was Ferry helemaal niet met mij gaan praten als hij had geweten hoe ik er carrièretechnisch voorstond.
Een bewijs voor deze stelling kon worden gevonden in het niveau waarop Ferry nu tegen mij begon te praten. Hij sprak veel langzamer dan eerder, in overdreven begrijpelijk Nederlands – voor de grote journalisten bestonden er kennelijk maar twee niveaus: het niveau van de baan bij een journalistiek instituut en het niveau van de schoolkrant.
‘Mijn werkdag begint om half negen,’ zei Ferry langzaam. ‘Dan krijg ik een telefoontje van de eindredacteur en dan bespreken we alvast wat er die dag allemaal te doen is. Hierna lees ik de kranten voor het nieuws natuurlijk en…’
Het was ongeveer op dit punt van het gesprek dat ik me indringend bewust werd van mijn psychologische huishouding. Ik mocht Ferry niet zo. Ik voelde zelfs een zekere afkeer. Tot nu toe had ik niet geweten waarom, maar nu werd mij iets duidelijk.
Ik was geen liefhebber van zijn manier van denken, de manier waarop iedereen hier leek te denken. In termen van hiërarchie. Ik had een hekel aan die hiërarchie, aan de manier waarop die werd gevormd – of je wel een baan had bij een journalistiek instituut en of je smoelwerk wel vaak genoeg te zien was op teevee – aan de vanzelfsprekendheid waarmee iedereen die hiërarchie accepteerde, zonder er ooit een gedachte aan te spenderen, dat hoefde ook helemaal niet, want ook zonder die gedachten plooide zich de hele wereld er wel naar, en natuurlijk ook de wijze waarop ik zelf zo lelijk onderaan bungelde.
‘En als ik dan op de redactie kom, hebben we overleg.
Het meeste waar we achteraan zitten, levert niets op, dat hoort nu eenmaal bij het vak.’
‘Ferry’, zei ik – het ongemak van de situatie benam me de rust om gewoon te vragen wat ik wilde weten – hoe werkt het hier? – ‘met zulke drukke dagen, heb je dan nog wel tijd voor reflectie?’
Hij keek me aan alsof ik iets vies had gezegd, een woord had gebruikt dat hij niet kende. ‘Reflectie’, zei hij na een tijdje, ‘ja, dat ik vind ik altijd zo… Wat bedoel je daar precies mee?’
‘Nou,’ zei ik, ‘dat boek van Joris Luyendijk bijvoorbeeld… over de tekortkomingen van de journalistiek. Hebben jullie het daar wel eens over?’
‘Ach’, zei Ferry, ‘dat soort boeken lees ik altijd een beetje zo.’ Hij maakte een gebaar alsof hij een boek op heuphoogte doorbladerde, en er in de loop even een blik in wierp. ‘En in het weekend heb ik mijn gezin. Dan wil je ook wel eens eh… een ander boek lezen.’
‘Nee’, zei ik, ‘het gaat me er niet om dat je geen boeken leest, maar of je tijd hebt om inzichten op te doen over datgene waar je de hele dag zo druk mee bezig bent.’
‘Doe jij dat maar’, zei hij. ‘Reflectie. Dan zal ik jouw boek ook even doorbladeren als het klaar is.’
‘Laat ik het anders zeggen’, zei ik. ‘Vind je de journalistiek goed?’
‘Ja’, zei hij. ‘Natuurlijk. Heel goed. Je kunt niet alles laten zien. Maar een stukje van de werkelijkheid wel. Televisie is emotie. Daar kunnen mensen zich in herkennen. Als ze dan geïnteresseerd raken, moeten ze er maar een Volkskrant bij lezen.’
‘De journalistiek is niet goed’, zei ik. ‘De journalistiek gaat ervan uit dat er een objectieve werkelijkheid bestaat, en dat je die kan weergeven als je de wetten uit het Basisboek Journalistiek netjes toepast. Hoor- en wederhoor bijvoorbeeld. Altijd en overal wordt de wet van hoor- en wederhoor toegepast. Zodat het net lijkt of alle meningen altijd precies even veel waard zijn, maar dat is natuurlijk niet zo, er zijn meningen waar beter over is nagedacht dan andere. Vijfennegentig procent van de wetenschappers weet al jaren dat het misgaat met het klimaat, en toch werd die mening tot voor kort altijd tegenover de mening gezet van die ene wetenschapper die door Shell wordt betaald om te beweren dat wat extra zonneschijn juist goed is voor de horeca.’
Ferry had zijn bril van zijn neus gehaald en keek even vorsend naar de glazen.
‘En dan zijn er om onverklaarbare redenen een paar onderwerpen van hoor- en wederhoor gevrijwaard. Het is de stilzwijgende afspraak dat sommige meningen niet bestaan. Als er in de Bijlmer een festival wordt gehouden, komt er nooit iemand aan het woord die zegt: ‘Ja, nu dansen ze nog mooi, maar wacht maar tot het donker wordt…’ Een heleboel mensen denken zo, maar toch bestaan die mensen niet. De politiek krijgt de schuld dat ze de Fortuyn-revolutie niet aan zag komen, maar het is eigenlijk de schuld van journalisten die alleen maar opschrijven wat de ander ook opschrijft, die niet weten hoe mensen denken, omdat ze alleen maar op die kinderachtige wandelgang naar nietszeggende quootjes staan te hengelen.’
Ferry blies tegen zijn glazen en zette de schone bril weer op zijn neus.
‘Als je naar Den Haag Vandaag kijkt’, zei ik, iets harder nu, ‘lijkt het door die wet van hoor- en wederhoor net alsof er altijd ruzie is. Dat komt omdat jullie de hele dag op zoek gaan naar mensen met tegengestelde meningen om je wet van hoor- en wederhoor op toe te kunnen passen; die wet is de inhoud gaan bepalen. In werkelijkheid is hier namelijk nooit ruzie, doet iedereen overdreven lief tegen iedereen, veel te lief eigenlijk, omdat ze hopen dat ze daar beter van worden. In werkelijkheid is het hier vreselijk saai en gebeurt er helemaal niets.’
‘Je had’, zei hij, ‘inderdaad niet op een slechter moment met je project kunnen beginnen.
‘En Nieuwspoort dan’, zei ik. ‘Dat is toch ook niet normaal? Vind jij dat nou goed dat iedereen daar de hele dag zo gezellig bij elkaar zit?’
‘Ja’, zei hij, ‘dat is handig. Voetbalverslaggevers gaan ook naar een wedstrijd, dat is logisch.’
‘Die gaan na de wedstrijd weer naar huis. Jullie gaan niet eens naar de wedstrijd. Jullie hangen alleen maar in de kleedkamer rond, jullie zitten de hele avond met politici aan de bar van Nieuwspoort.’
‘Logisch’, zei hij. ‘Kijk. In andere werelden zijn verslaggevers minder met hun onderwerp bevriend. Een trainer moet zorgen dat zijn team doelpunten maakt. Die hoeft niet aardig te doen tegen een verslaggever. Maar parlementariërs zijn afhankelijk van wat kiezers van ze vinden. Daarom zullen ze geduld met journalisten hebben, zijn ze aardig en werken ze altijd mee.’
‘Ja, ja’, zei ik – ‘en voor mij? Moet ik ook lid van Nieuwspoort worden?’
‘Als je hier je werk wilt doen’, zei hij, ‘dan is dat wel nodig. Daar hoor je nog eens wat.’
Ik haalde een inschrijvingsformulier tevoorschijn. Daarop stond dat je alleen in aanmerking kwam voor behandeling van de ballotagecommissie van Nieuwspoort als je drie ‘poorters’ bereid vond om garant voor je te staan, wat volgens mij betekende dat je wel oké was, en dat je volgens deze drie poorters de ‘Nieuwspoort-code’ zou eerbiedigen, die inhoudt dat je niets naar buiten mag brengen van wat je binnen hoort en ziet. ‘Zou jij misschien voor mij willen tekenen?’
Hij schrok op. ‘Nee’, zei hij. ‘Dat wil ik niet. Straks betaal jij je rekening niet, en ben je weer vertrokken, en dan komen ze achter mij aan voor het geld.’
Ik stak het papier weer bij me.
Ferry zei: ‘Ik moet trouwens zo eten met de redactie.’
Hij bedoelde: met de hele club van Den Haag Vandaag in Nieuwspoort aan de slibtong met friet en sla, zoals iedere avond. Op kosten van de gemeenschap, ook dat nog – het was maar goed dat ik geen baan had.
Ferry stond op. ‘Nou,’ zei hij, ‘als je nog eens wat wilt weten, dan eh…’
‘Ja,’ zei ik, ‘dan spreek ik je wel even aan.’
‘Over een jaar of zo,’ zei hij.
‘Oh,’ zei ik.
We gaven elkaar een hand en namen afscheid. Even later zag ik hem met langzame passen het Plein oversteken. Zelf ging ik naar huis. Koken, aantekeningen maken, en uit de media vernemen wat er die dag weer allemaal op het Binnenhof was gebeurd.
Video: Who's Next-interview Ferry Mingelen