Door: Dirk Jacob Nieuwboer 
Gepubliceerd: dinsdag 16 oktober 2007 22:40
Update: dinsdag 16 oktober 2007 22:40
Haatzaaien moet strenger worden aangepakt. En het verbod op ‘smalende godslastering’ moet blijven, vindt het kabinet. Is dat nodig?
Een storm van kritiek kreeg justitieminister Donner drie jaar geleden over zich heen. Vlak na de moord op Theo van Gogh rakelde hij het bijna vergeten artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht op. Hij wilde weten of ‘smalende godslastering’ vaker kon worden bestraft.
Wilde Donner soms suggereren dat islamcriticus Van Gogh zich had moeten inhouden? D66 stond op zijn achterste benen en vond dat het verbod op godslastering dan maar helemaal moest worden afgeschaft.
Het voorstel haalde geen meerderheid en het debat verstomde. Maar Donners onderzoek ging wel gewoon door. Drie medewerkers van de Radboud Universiteit in Nijmegen bekeken of beledigingen en godslasteringen vaker aangepakt zouden kunnen en moeten worden.
‘Het verbod op godslastering is nauwelijks praktisch’, vindt Jean-Pierre Wils, decaan van de faculteit religiewetenschappen in Nijmegen. Met de twee andere onderzoekers concludeerde hij dat artikel 147 een dode letter blijft, omdat de godslasteraar pas strafbaar is als hij met opzet ‘smalend’ heeft gehandeld. En dat is ‘duivels’ moeilijk vast te stellen.
Ondanks dit bezwaar wil het kabinet het verbod handhaven. Volgens minister van Justitie Hirsch Ballin is het belangrijk te laten zien dat mensen zich ook vanwege hun geloof gekwetst kunnen voelen. ‘Waarom zou je gelovigen als een aparte groep extra moeten beschermen?’, reageert Wils. ‘Niemand vraagt zich af of gelovigen door hun religieuze opvattingen ook niet-gelovigen kunnen beledigen.’
De hoogleraar is het op een ander punt wel eens met het kabinet. De Nederlandse justitie zou veel meer moeten doen om haatzaaiende en kwetsende uitingen aan te pakken.
‘Het bestaansrecht van sommige groepen wordt geregeld in twijfel getrokken’, zegt Wils. ‘Van religieuze en niet-religieuze groepen. Justitie zou minder bedeesd moeten reageren.’
Wat moet wel en wat niet worden verboden? De term ‘geitenneukers’ waarmee Theo van Gogh vaak moslims aanduidde? ‘Zeker onfatsoenlijk en provocerend, maar nog lang niet haatzaaiend’, vindt Wils. De islam is achterlijk dan? ‘Een onzinnige uitspraak, maar moet toch kunnen.’ Of: de koran moet verboden worden. ‘Een meer dan twijfelachtig geval.’
Er is altijd een grijs gebied, erkent de ethicus. Maar er zijn zeker gevallen die duidelijk de grens overschrijden. Kwaadaardige uitlatingen die niets bijdragen aan het publieke debat.
‘Denk aan een uitspraak als: moslims zijn achterlijke mensen die moeten worden verwijderd’, zegt de hoogleraar. Als dit soort beledigingen niet wordt vervolgd, kan bij minderheden het gevoel ontstaan dat ze niet worden beschermd. Dat gevaar dreigt volgens de onderzoekers op dit moment vooral bij moslims en joden.
Dat daarmee de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt, bestrijdt hij. Er zijn juist grenzen nodig om de die te beschermen. Als haatzaaien niet wordt aangepakt, voelen andere mensen zich minder vrij. ‘De vrijheid van meningsuiting kan daarom nooit absoluut zijn.’