Door: Remco Tomesen 
Gepubliceerd: zondag 20 juli 2008 23:57
Update: zondag 20 juli 2008 23:58
Esperanto dood? Nee hoor, er is nog steeds een clubje dat de kunsttaal in leven houdt. Deze week is de wereldwijde Esperanto-community in Rotterdam bij elkaar.
Er bestaan Esperanto-gezinnen, Esperanto-fietsclubs en Esperanto-kinderclubs. Esperanto is voor veel sprekers meer dan een taal, het is een way of living. Esperantisten, zoals de sprekers worden genoemd, vormen naar eigen zeggen een wereldwijd netwerk van ‘tolerante en internationaal georiënteerde’ mensen.
Naar schatting zijn er zo’n kwart miljoen Esperantisten. Daarvan zijn er deze week ongeveer 1.700 in Rotterdam, voor het Esperanto Wereldcongres. Als niet-spreker van de taal zou je je op het congres ongemakkelijk kunnen voelen: voertaal is immers het Esperanto. Spreek je de taal niet, dan kun je de lezingen niet volgen, knoop je niet makkelijk een gesprekje aan.
Dertiger Ingeborg van Dijk staat naast haar moeder. Als achtjarig kind kwam Ingeborg voor het eerst met haar ouders op een Esperanto-congres. Haar moeder: ‘Mijn man en ik spraken de taal thuis vaak. Daardoor heeft ze de taal vanaf de wieg opgepakt.’ Ingeborg was lid van de Esperanto-jongerenclub, ontmoette haar man op een van de congressen. Ingeborg: ‘Er zijn veel Esperanto-huwelijken. Vaak zijn het stelletjes van twee verschillende nationaliteiten’.
Esperanto ekzistas 120 jarojn. Zo zeg je in het Esperanto dat de taal 120 jaar bestaat. De Pool Ludovich Zamenhof bedacht de taal en publiceerde er in 1887 voor het eerst een boekje over. Esperanto is zo ontworpen, dat het eenvoudig te leren is. De taal klinkt als Spaans, doordat veel woorden eindigen op een o-klank. De grammatica is eenvoudig. Zamenhof ontwierp de taal om mensen dichter bij elkaar te brengen. Veel misverstanden en oorlogen ontstonden volgens hem doordat mensen elkaar niet verstaan.
Maar wat is er mis met Engels als wereldtaal? Voor sommigen is Engels de moedertaal, maar voor heel veel mensen niet. Dat zorgt volgens Esperantisten voor ongelijkwaardigheid. ‘Esperanto is juist voor niemand de eerste taal’, zegt Bert de Wit, van de congresorganisatie. Esperantisten willen volgens hem niet dat hun taal de bestaande talen vervangt, maar een neutrale tussentaal is.
In Rotterdam hoor je de meeste Esperantisten niet hoogdravend over hun taal praten. Zij zijn veel praktischer. Zo stellen veel Esperantisten hun huis open voor andere Esperantisten. ‘Zo reis je van gastadres naar gastadres en ontmoet je veel interessante mensen’, zegt Ingeborg. ‘Voor mij is Esperanto vooral een vorm van authentiek toerisme’.