Door: Kustaw Bessems / Dirk Jacob Nieuwboer
Gepubliceerd: maandag 22 december 2008 00:01
Update: maandag 22 december 2008 08:11
CDA-prominent en onderwijsbestuurder Doekle Terpstra biedt PVV-leider Geert Wilders zijn verontschuldigingen aan omdat hij die ‘het kwaad’ heeft genoemd ‘dat gestopt moet worden’.
Terpstra blikt terug op een veelbewogen jaar dat begon met zijn geëmotioneerde oproep om meer weerwoord aan Wilders te bieden.
Terpstra staat nog steeds geheel achter die oproep en achter het initiatief ‘Benoemen en Bouwen’, waarmee hij positieve ontwikkelingen in de multiculturele samenleving voor het voetlicht bracht.
Maar hij neemt afstand van zijn beruchte uitspraak over Geert Wilders in De Telegraaf: ‘Ik vind het aanmatigend om te zeggen: die persoon is het kwaad. Dat is geen integer gedrag ten opzichte van iemand die ook nog eens parlementariër is. Dat moet ik terugnemen. Daar past maar één woord bij. Dat is verontschuldiging.’
Terpstra noemt het wel curieus dat hij vaker op deze uitlating is aangevallen dan Wilders op zijn uitspraken. Die noemde Terpstra onder meer een ayatollah. ‘Ik heb na die keer nooit meer over Wilders gesproken. Maar stel hem eens de vraag: hoe vaak heb jij over Doekle Terpstra gesproken? Hij heeft aanzienlijk meer over mij gezegd. Tot in de Kamer aan toe. Schandalig.’
Terpstra ontving na zijn inmenging in het integratiedebat veel steun, maar kreeg ook kritiek en anonieme scheldkanonnades over zich heen. Hij vertelt in het interview dat hij toen weinig hoorde van de CDA-top. ‘Het maakte niets los in de hoogste regionen. In die hectische periode kreeg ik meer sms’jes van andere kabinetsleden dan van CDA-bewindslieden.’
‘Ik was de regie volledig kwijt’
De anonieme
scheldpartijen maken hem woedend, hij is dankbaar voor de tientallen
multicultigesprekken en heeft spijt dat hij Geert Wilders ‘het kwaad’
heeft genoemd. Doekle Terpstraover zijn tumultueuze opkomst in het
integratiedebat.
Nee, nee. Maar nee! Nee, nee, nee, nee, nee!’ Zestien keer zegt
Doekle Terpstra in totaal nee. ‘Toch even daarop doorgaand: nee. Dat
zeg ik met veel nadruk. Nee.’
Wat vroegen we hem ook alweer? Oh ja, of de schrik over de haatmails
die hij kreeg na zijn aanval op Geert Wilders óók kwam doordat mensen
hem blijkbaar niet meer zagen als die aardige vakbondsleider van de
demonstratie op het Museumplein.
Het antwoord was dus: nee. ‘Mensen mogen álles tegen mij zeggen. Ze
mogen mij zelfs uitschelden. Maar er kwam een anonieme scheldpartij op
gang. Doe het dan met je naam eronder. Of kijk me in het gezicht. Ik
was zó boos dat ik niks terug kon zeggen.’
Soms kijkt Doekle Terpstra naar een foto van zichzelf in de krant en
dan herkent hij zichzelf daar niet in. ‘Maar ik herken mezelf wel als
ik een verhaal doe, met mijn handen, want dat doe ik heel makkelijk, en
dat ik dan als het ware in de kracht van mijn verhaal zit. Dat ik het
gevoel heb dat ik in mijn energie kan zitten, zo wil ik gezien worden.’
Energie, kracht, emotie, intuïtie. Termen die vaak langkomen als we
met Terpstra terugkijken op het jaar waarin de onderwijsbestuurder,
CDA-prominent en oud-vakbondsman zich mengde in het integratiedebat. Te
beginnen met een felle aanval op PVV-leider Geert Wilders in een
opiniestuk in Trouw.
Het was een winteravond...
‘Een woensdagavond, nu ruim een jaar geleden, ik zat in de auto. Ik
kwam uit het noorden. Op de radio ging het volop over de film van
Wilders die eraan zat te komen. Ook over de Koran als fascistoïde boek.
De boosheid die op dat moment bijna letterlijk bij mij binnenkwam.’
‘Door die permanente polemiek. Het idee dat je kennelijk als
parlementariër maar kunt vinden wat je wilt. Over een groep in de
samenleving die daar bijna machteloos naar moet kijken. Die voortdurend
in de hoek wordt gemept en daar niet uit kan komen.’
Waarom trof de uitspraak over de Koran u zo? Wilders had ook andere dingen gezegd die echt discriminatoir waren.
‘Vanwege de frontale aanval op levensbeschouwelijkheid, waarvan ik
weet dat die mensen heel dierbaar kan zijn. Op mensen die integer in
hun identiteit willen staan. Alsof die mensen er niet mogen zijn.’
‘Maar het was een stapeling van dingen. Ik voelde ook: hoe is het in
godsnaam – letterlijk in Gods naam – mogelijk dat een maatschappelijke
meerderheid dit laat gebeuren met een minderheid in ons land. Dan zit
je in je uppie in die auto en je denkt: dit moet ik kwijt.’
Kende u de Koran?
‘Ik kende de Koran minder dan de Bijbel. Maar ik had ook niet de
pretentie dat ik een nieuwe islam- of integratiedeskundige was. Tot op
de dag van vandaag zeg ik: die deskundigheid heb ik helemaal niet. En
die hoef ik ook niet te hebben. Ik vond het gewoon aanmatigend om
vanuit de politiek tegen een groep mensen te zeggen dat hun heilige
boek fascistoïde is.’
‘En als je boos bent, wacht je niet tot de morgen. Ik kwam thuis,
zei mijn dierbaren gedag en schreef het stuk. Het was: ik móet dit van
me afschrijven. Ik denk dat het me nog geen half uur heeft gekost.
Meteen naar de krant gestuurd.’
‘Mijn vrouw waarschuwde me. Ze zei: tel nou even tot tien. Maar ik
heb in het leven ook geleerd dat je af en toe je emotie moet laten
gaan. Ik vertrouw erg op intuïtie. Op momenten dat iets zo diep bij je
naar binnen komt, zeg ik: laat dat maar gewoon gebeuren.’
Het is mooi als bestuurders zich door emotie laten inspireren. Maar onverantwoordelijk als zij niet nadenken over de gevolgen.
‘Dat mag je vinden. Maar wat ik schreef, reflecteerde een sentiment
in de samenleving. Van burgers die de polemiek spuug- en spuugzat
waren. Die zaten te wachten op een daad van iemand. Dus je kunt ook
zeggen: hoezo onverantwoordelijk? Na de publicatie kwamen er twee
reacties. Eén: dit had ik zo niet mogen doen. Tegelijk: een zucht van
verlichting, eindelijk iemand die een statement maakt.’
Spiegelbeeldig aan het compliment dat Wilders van zijn aanhangers krijgt: eindelijk iemand die het zegt.
‘Ja, dat is misschien wel zo.’
In De Telegraaf zei u destijds: Wilders is het kwaad en dat kwaad moet gestopt worden. Blijft u bij die uitspraak?
‘Nee. Ik had het net over aanmatigend gedrag van anderen. Ik vind
het ook aanmatigend om te zeggen: die persoon is het kwaad. Als ik in
die termen heb gesproken zegt dat iets over mijzelf. Dat is geen
integer gedrag ten opzichte van iemand die ook nog eens parlementariër
is.’
‘Ik heb willen zeggen dat er in zijn gedachtegoed een oriëntatie zit
die ik wel verbind met kwade gedachten. Maar zo had ik het nooit mogen
zeggen. Dat moet ik terugnemen. Daar past maar één woord bij. Dat is
verontschuldiging.’
‘Ik kreeg toen al de terechte kritiek dat je een Kamerlid moet
respecteren als gekozen volksvertegenwoordiger. Maar er zit ook iets
curieus’ in. Want ik heb na die keer nooit meer over Wilders gesproken.
Maar stel hem eens de vraag: hoe vaak heb jij over Doekle Terpstra
gesproken? Over de fatwa en weet ik wat allemaal. Hij heeft aanzienlijk
meer over mij gezegd. Tot in de Kamer aan toe. Schandalig.’
Hij noemt u Doekle de dhimmi.
‘De di-de-di-de-dhimmi en weet ik wat allemaal.’
Wist u wat een dhimmi was?
‘Nooit van gehoord.’
Weet u het nu?
‘Ik weet het wel, maar vraag het me nu niet, ik kom er niet op. Zal wel iets zijn met dommigheid of zo.’
Een dhimmi is een niet-moslim die weliswaar bescherming geniet van de islamitische heersers maar ook minder rechten heeft.
‘O ja, o ja, o ja, dan kent hij me slecht. Er is er maar één voor
wie ik buig en dat is de Eeuwige. Voor de rest niemand. Voor nobody.’
U begon een groep prominenten om zich heen te verzamelen. U leek in paniek.
‘Het debat kwam op stoom. Iedereen bemoeide zich ermee. Ik voelde me
een toeschouwer van mijn eigen toneelstuk. Ik was de regie volledig
kwijt. Nederland dacht: hier zit een organisatie achter, geld, mensen
deskundigheid, hier is goed over nagedacht. Maar het was niks. En dan
zit ik ineens bij Pauw en Witteman met het idee: ik moet dat helder
kunnen maken. Ik kreeg het niet uitgelegd, dat dit maar een initiatief
van een bezorgde burger was en meer niet.’
‘Ik dacht: wat is hier in vredesnaam aan de hand, wat voor zenuw heb ik geraakt?’
Maar u heeft de laatste jaren ook in Nederland gewoond. U weet dat integratie een open zenuw is.
‘Natuurlijk wist ik dat. Maar waarom er zo veel losbarstte na dit
stuk? Dat blijft voor mij een fascinerende vraag. Ik denk dat sommige
mensen die in de PVV eindelijk een platform voor hun boosheid hadden
gekregen dachten dat ik dat van ze afpakte. Of de maatschappelijke
realiteit ontkende. Dat was echt niet zo. Nog steeds zeg ik: problemen
aanpakken, aanpakken, aanpakken.’
Misschien was het ook waar u voor stond: de gevestigde orde.
‘Ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Er stond een journalist in
mijn straat de buren te interviewen. Ze fotografeerden mijn huis, want
dat zou wel een villa zijn – ik woon in een keurige rijtjeswoning. Het
was een aanval op mijn private domein, maar ze moesten mij per se
neerzetten als representant van de witte elite.’
U bent wit en u bent elite.
‘Ik ben wit.’
Hij zucht.
Vindt u dat vervelend?
‘Ja. Ja. Ja. Daar krijg ik de kriebels van. Ik heb een bloedhekel aan het woord elite.’
Toen schreef u uw pamflet, Benoemen en Bouwen.
‘Er werd gezegd: wie a zegt, moet b zeggen. Maar ik had nooit de
bedoeling gehad om b te zeggen. Ik had in mijn stuk in Trouw juist
leiders van maatschappelijke organisaties opgeroepen om een ander
geluid te laten horen. Maar het werd onontkoombaar: iedereen zei tegen
me: je moet doorgaan.’
‘De wonderen waren de wereld nog niet uit. Er stonden uiteindelijk
58 mensen onder Benoemen en Bouwen. Dat vond ik nog meer een statement
dan de tekst op zich. 58 mensen die weerspiegelden: wij hebben meer dan
genoeg van deze manier van discussiëren.’
‘Vanaf dat moment zag ik het als een opdracht aan mezelf om het land
in te stappen. Politieke zaaltjes of kerkzaaltjes in alle hoeken en
gaten van het land. Ik denk dat ik dertig van die bijeenkomsten heb
gehad, meer zelfs.’
‘De grootste indruk maakte de behoefte van al die mensen aan
gesprek. Ze wilden hun rol vervullen in die ingewikkelde samenleving
van ons, maar waren in verwarring gebracht door het politieke debat.’
‘Een persoonlijke confrontatie was die met mijn eigen vooroordelen.
Vier mei was ik op een multicultifestival in Rotterdam. Een grote zaal
tjokvol mensen. Het was vijf voor acht en de wedstrijd
Galatasaray-Fenerbahce stond op. Die wedstrijd was precies twee voor
acht afgelopen en mensen werden stil. Maar ik voelde dat er iets
gekunstelds in zat: we doen het omdat het hoort.’
‘Toen stapte ik naar een Turkse meneer. Ik zei: ik heb niet het
gevoel dat jullie dit doorleven, terwijl het voor dit land van belang
is. Hij zei: ik woon hier 35 jaar, jullie hebben altijd gezegd dat het
gaat om júllie doden, van de Tweede Wereldoorlog en jullie hebben mij
nooit deelgemaakt van die geschiedenis. Hij zei: nu pas wordt nagedacht
over hoe de dodenherdenking in een ander perspectief kan worden
geplaatst. Toen dacht ik: het is ook niet fair dat ik dit nu in een
keer van hem vraag, terwijl ik tientallen jaren heb gedacht dat het
eerder gastarbeiders waren dan burgers van dit land. Dus terecht dat
hij dat zegt.’
‘Maar ik heb meer geleerd, het afgelopen jaar. Ik ben altijd zeer
voor internationalisering geweest, omdat het ons zo ongelofelijk veel
vrede, veiligheid en welvaart heeft gebracht. Maar ik heb altijd
gedacht dat je de consequentie moest accepteren dat je als land
erodeert ten opzichte van het grote geheel en daar geloof ik niet meer
in. Nationale identiteit is hartstikke belangrijk voor ons.’
Maakte uw hartenkreet iets los in uw eigen partij, het CDA?
‘Nou, niet in de hoogste regionen. Het heeft niet geleid tot
intensivering van de relaties. Het grappige is dat ik wel door veel
CDA-afdelingen werd uitgenodigd.’
Maar geen sms’jes van de partijtop: goed gedaan, Doekle.
‘Niet in overvloedige mate. Laat ik het maar zo zeggen dat ik in die
hectische periode meer sms’jes heb gehad van andere kabinetsleden dan
van CDA-bewindslieden. Ik weet niet waarom, ik constateer het maar even
als een feit.’
Het CDA is wel harder geworden tegen Wilders.
‘Later ja. Maar tóen niet.’
U ging naar al die zaaltjes, maar de Wildersstemmers heeft u niet bereikt..
‘Ik ben de criticasters tegengekomen. Maar of het Wildersstemmers
waren, weet ik niet. Ik merkte dat zij gêne hadden om te zeggen wat ze
stemden. In een tv-programma lieten ze mij wel in debat gaan met
uitgesproken Wildersstemmers. Wat ik mooi vond, is dat een van die
jongens afsloot door te zeggen: ach, die Doekle, het valt wel mee met
die kerel. Als dat het effect is… dat wil ik, dat fragiele bruggetje
slaan.’