Door: Kustaw Bessems 
Gepubliceerd: dinsdag 27 januari 2009 00:35
Update: dinsdag 27 januari 2009 00:35
Het kabinet wil het verbod op beledigenuitbreiden. En Geert Wilders wordt mede op grond van dit beledigingsverbod vervolgd. Maar het hoort niet in ons wetboek thuis, vindt mr. Van Dijk.
Van Mark Rutte mogen bijna alle remmen los: de enige beperking op de vrije meningsuiting zou volgens de VVD-leider moeten zijn dat er niet mag worden opgeroepen tot geweld. Het kwam Rutte op een standje te staan van onderwijsminister Ronald Plasterk (PvdA). Geen wonder, want Plasterk zit in een coalitie die juist de andere kant op beweegt. Weliswaar wil het kabinet na veel hangen en wurgen de toch al in onbruik geraakte strafbaarstelling op godslastering opheffen, tegelijk is het van plan om het nog actieve verbod op het beledigen van groepen mensen úit te breiden.
Wie zich keurig aan de internationale verdragen houdt, eindigt ergens tussen Rutte en het kabinet in, zo blijkt uit een gesprek met mr. Pieter van Dijk. Van Dijk is een juridisch zwaargewicht. Voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak bij de Raad van State, het hoogste bestuursrechtelijke orgaan in Nederland. Lid van de Venetië Commissie, die de Raad van Europa adviseert over wetgeving. En ex-rechter in het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.
Onlangs rondde hij als mederapporteur voor de Venetië Commissie een onderzoek af naar de relatie tussen vrije meningsuiting en vrijheid van godsdienst. Het kwam voort uit de zorg dat na de Deense cartooncrisis in 2006 Europese landen allerlei wetgeving zouden introduceren die in strijd zou zijn met de vrije meningsuiting. Daar waren tekenen van – in Ierland lag een voorstel om het verbod op godslastering in te voeren. ‘Maar het viel vooral op’, zegt Van Dijk, ‘dat slechts een paar landen godslastering strafbaar stellen. In al die landen is het verbod een dode letter.’
Dat godslastering niet strafbaar moet zijn, dat was voor Van Dijk eigenlijk al duidelijk, toen hij zich hier als rapporteur over boog. Ja, hij ziet ook wel hoe hier in Nederland een hevige discussie over woedt.‘ Maar dat is politiek, niet juridisch’, zegt hij. Dat een meerderheid in de Tweede Kamer net heeft gestemd voor het schrappen van dat verbod is dan ook geheel in de geest van het rapport dat Van Dijk mee-opstelde. ‘In een democratische samenleving is de vrije meningsuiting een heel belangrijk instrument voor de gevergde open discussie’, legt hij uit. ‘Ook meningen die voor anderen kwetsend zijn, moeten kunnen worden geuit en elke godsdienst moet aan kritiek kunnen worden blootgesteld. Iedereen moet een zeker incasseringsvermogen hebben.’
Maar intussen heeft de Kamer minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie wel vrij gelaten om met ‘een alternatief’ voor dat verbod op godslastering te komen. De minister werkt met het oog hierop nu aan een uitbreiding van het verbod op belediging van groepen mensen wegens ras, seksuele geaardheid, religie of levensbeschouwing. Hirsch Ballin wil ook ‘indirecte belediging’ verbieden, wat betekent dat bepaalde uitlatingen over bijvoorbeeld ‘het christendom’ of ‘de islam’ strafbaar kunnen zijn, ook al worden de aanhangers van de godsdienst niet expliciet genoemd.
Dit druist tegen het rapport van Van Dijk en de zijnen in. Zij concluderen: ‘Het is niet wenselijk om het beledigen van religieuze gevoelens strafbaar te stellen zolang er niet ook sprake is van aanzetten tot geweld, haat of discriminatie.’
Hirsch Ballin houdt de Tweede Kamer steeds voor dat zijn voornemen om het beledigingsverbod uit te breiden voortvloeit uit internationale verdragen, maar dit is volgens Van Dijk onjuist. ‘Internationale verdragen verplichten Nederland slechts tot het strafbaar stellen van discriminatie en van het aanzetten tot geweld en haat. Een verbod op beledigen is niet verplicht, een uitbreiding van dat verbod dus ook niet.’
‘Met het verbod op discriminatie kunnen sommige uitspraken over ras of seksuele geaardheid al worden bestreden’, verklaart hij. ‘En met het verbod op haatzaaien kan in het uiterste geval iets worden gedaan tegen uitlatingen over een geloof.’
Het gerechtshof in Amsterdam heeft net bepaald dat Geert Wilders moet worden vervolgd, niet alleen wegens discriminatie en haatzaaien, maar óók wegens belediging. Het voelt zich gesteund door de voorgenomen wetswijziging door Hirsch Ballin. Over deze lopende zaak wil Van Dijk zich niet uitlaten, maar in het algemeen stelt hij wel: ‘Om te bevorderen dat burgers elkaars godsdienst respecteren, kun je beter niet-juridische middelen gebruiken. Dat moet je doen door meer begrip te kweken, informatie uit te wisselen, tolerantie te kweken. Daarvoor zijn onderwijs, de pers en een goede maatschappelijke discussie veel efficiënter dan strafrecht.’
‘Strafrecht’, meent hij, ‘kan zelfs averechts werken. Als een discussie op gang komt en een officier van justitie gaat dan bepaalde uitingen vervolgen, kan dat juist de dialoog belemmeren. Wanneer een prent wordt tentoongesteld of een film vertoond, is het beter om daarover te praten dan om iets te verbieden.’
Van Dijk wil eveneens terughoudend zijn met een oordeel over de door Hirsch Ballin geplande uitbreiding van het beledigingsverbod, omdat de Raad van State – waar hij werkt – daarover naar verwachting nog om advies zal worden gevraagd. Maar het is niet moeilijk om het verschil te zien tussen Hirsch Ballins plannen en Van Dijks opvattingen. ‘Ik kan slechts naar het rapport verwijzen. En zeggen dat het goed zou zijn als de Nederlandse regering ook het advies van de Venetië Commissie vraagt. Het voorwerk hebben wij al gedaan.’
Foto: ANP
De zaak Wilders
Volgens de uitspraak van het gerechtshof in Amsterdam moet Geert
Wilders worden vervolgd voor de overtreding van twee wetsartikelen.
Het ene is artikel 137d van het wetboek van strafrecht, dat
discriminatie en haatzaaien strafbaar stelt. Volgens dit artikel is
iedereen strafbaar die ‘in openbaar (…) aanzet tot haat tegen of
discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed
van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun
geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke,
psychische of verstandelijke handicap’. Hieronder vallen volgens het
Hof onder meer Wilders’ uitspraken ‘Verbied de Koran’ en ‘De grenzen
dicht, geen islamieten meer in Nederland’.
Het andere artikel is 137c, het verbod op het beledigen van groepen mensen.
Volgens dit artikel moet eenieder bestraft die ‘zich in het
openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk
beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst
of levensovertuiging of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid’.
Hieronder valt volgens het Hof in Amsterdam onder meer Wilders’ vergelijking van de Koran met Mein Kampf.
Uit het rapport van de Venetië Commissie
Het is niet in de eerste plaats aan rechtbanken om het juiste
evenwicht te vinden tussen de vrijheid van godsdienst en de vrijheid
van meningsuiting, maar aan de hele maatschappij (…) waaronder
gelovigen en ongelovigen. (…) De culturele verscheidenheid van moderne
samenlevingen vereist (…) pogingen om religie of overtuigingen van
anderen te respecteren. Zelfbeheersing kan helpen, natuurlijk onder
voorwaarde dat die niet is ingegeven door angst voor een gewelddadige
reactie.
Dit betekent echter niet dat democratische samenlevingen moeten
worden gegijzeld door buitensporige gevoeligheden van bepaalde mensen:
de vrije meningsuiting moet zich niet terugtrekken wanneer zij wordt
geconfronteerd met gewelddadige reacties. De tolerantie van deze mensen
– en van iedereen die zich beledigd voelt door legitiem gebruik van de
vrije expressie – moet omhoog. Een democratie moet niet bang zijn voor
debat, zelfs over de schokkendste of antidemocratische ideeën. In open
discussie moeten deze ideeën worden weersproken en de superioriteit van
democratische ideeën gedemonstreerd. (…) Overtuiging, in tegenstelling
tot verboden of repressie, is de meest democratische manier om
fundamentele waarden te behouden.’