Door: Dirk Jacob Nieuwboer & Marcia Nieuwenhuis
Gepubliceerd: woensdag 11 maart 2009 23:54
Update: donderdag 12 maart 2009 07:10
Ze had een vliegende start als SP-fractievoorzitter, vindt ze. Zat lekker in haar vel. Vol zelfvertrouwen. Tot de twijfel binnen sloop in het hoofd van Agnes Kant. Jan Marijnissen hielp haar uit een dipje.
Ik was een tijdje, zo rond de Kerst, redelijk ontevreden. Maar dat schijnt er allemaal bij te horen. Als je een stap maakt in je leven dan komt er altijd een moment dat je terugkijkt en zegt: ho wacht even, doe ik het wel goed? Ik was niet zo tevreden over hoe dingen soms overkwamen. In het begin ging het heel rustig, de overgang met Jan, en had ik heel veel zelfvertrouwen en dat is ook eigenlijk wel gebleven. Maar er is een periode geweest dat ik het gevoel had dat ik te veel moest en te veel wilde. Dan word je wat onrustig. En dat komt de kwaliteit niet ten goede. Ik dacht: even bijstellen. Is moeilijk uitleggen hoor, dit soort dingen.’
Een beetje bijstellen, hoe doe je dat?
‘Dat doe je vooral in je hoofd. Het is vooral psychologie. Het is vooral beseffen dat je niet in een half jaar alles hoeft te hebben gedaan en neergezet te hebben. Dat je tijd hebt.’
Ze had het erover met mensen in haar omgeving. Die zeiden dat ze niet zo kritisch op zichzelf moest zijn. Zeker niet in het openbaar. En ze had het erover met ‘Jan’. Jan Marijnissen, haar voorganger. ‘Hij was de belangrijkste. Ik zei: ik ben het nou een half jaar en het is toch onvoldoende. Toen zei hij: nou moet je echt stoppen. Je moet geduld hebben en ophouden met nadenken over hoe je het doet. Je hebt er zelf vertrouwen in, wij hebben vertrouwen in jou. Ik had ook geen last van gebrek aan zelfvertrouwen, maar ik vond het niet goed. Ik was te ongeduldig. Ik wilde binnen een half jaar alles neergezet hebben. Toen zei hij: veertien jaar, veertien jaar. Ik heb het ook opgebouwd.’
Hij heeft u een beetje gerustgesteld.
‘Hij heeft me vooral op het hart gedrukt dat je er niks mee oplost om daar elke dag over na te denken. Meer van: Let’s go. Niet dat je dat zelf niet kunt bedenken, maar er zijn van die dingen, die moet iemand even een keer tegen je zeggen. En dan denk je: ja, verrek zo is het, god, mens.’
Andere partijleiders zouden gillend gek worden. De oude partijleider hinderlijk op de achtergrond. Sommige partijleiders vinden het zelfs niet netjes dat Marijnissen is gebleven als Kamerlid na zijn afscheid als fractievoorzitter. Je opvolger loop je niet voor de voeten. Maar Agnes Kant zit niet in elkaar als iedere andere partijleider. Ze is anders. Wil ook anders zijn. ‘Het risico is natuurlijk dat je je aan gaat passen. Dat je gaat denken dat het draait om wat ze hier in Den Haag belangrijk vinden. Maar dat is niet zo.’
En dus vertelt ze het gewoon als ze een dipje heeft. Ze vertelt dat ze soms twijfelt. Dat ze sommige dingen niet goed doet. En ze heeft het over Jan. Waarom ook niet?
‘Andere mensen, buiten de SP, dachten dat dat niet kon. Maar dat zegt meer over hen dan over ons. Wij zijn toch niet elkaars politieke concurrenten in de SP! Ik had het er gisteren toevallig nog met Jan over. Wij hebben er geen seconde aan getwijfeld of dat goed zou gaan. Ik heb een relatie met Jan die heel goed is. Die soms op het scherp van de snede gaat. Dat was veertien jaar zo en dat is nog steeds zo. We zijn twee handen op één buik en we begrijpen elkaar. Juist daarom moet je soms even knallen. Daar is niks aan veranderd. Waarom zou dat veranderen?’
Omdat je een andere taakverdeling krijgt.
‘Als de verhoudingen anders zijn, moet zich dat even ontwikkelen. Daar zitten we nog wel in, geloof ik. Maar op een positieve manier. Jan heeft me gelijk helemaal mijn gang laten gaan. Ik ben degene die het initiatief neemt om advies te vragen. En ik doe dat ook met grote regelmaat.’
Andere politieke leiders geven niet graag toe dat ze hulp vragen.
‘Dat is niet onze partijcultuur, ondanks het beeld dat volledig ten onrechte over Jan bestaat dat hij alles in zijn eentje heeft gedaan. Die enorme samenwerking maakt juist dat het zo goed gaat met de SP. In die zin was Jan niet zozeer mijn baas en ben ik nu niet zijn baas. Dat is flauwekul, zo werkt het bij de SP niet. Hij weet ontzettend veel, dus ik ben hartstikke stom als ik daar niet maximaal gebruik van maak. En ja, hij is gewoon mijn maatje. Mijn politieke maatje. Kameraad zeiden ze vroeger, maar dat mag niet meer.’
Zou u willen dat hij weer op de lijst gaat staan?
‘Tuurlijk wil ik dat. Als het aan mij ligt, geweldig. Dat is zeer atypisch, ja, maar wij zijn misschien wat atypisch. Of de rest is atypisch.’
De mensen denken nog steeds: de SP is Jan Marijnissen.
‘Je bent de eerste in maanden die dat zegt. Natuurlijk is de SP Jan Marijnissen. Maar niemand zegt meer: de SP is alleen Jan Marijnissen. Veel mensen dachten: de hele partij klapt in elkaar als Jan weg is als fractieleider. Ik ben er bijzonder trots op dat we hebben laten zien hoeveel ongelijk die mensen hebben. Mensen dachten: het is Jan en de rest hobbelt maar wat mee. Ik weet natuurlijk al veertien jaar dat dat anders is, want ik heb er naast gelopen.’
Bent u bij de volgende verkiezingen de lijsttrekker?
‘Tjeetje ja, dat ligt natuurlijk voor de hand, maar je weet niet wat er tot die tijd nog gebeurt. Ik weet niet hoe ik het ga doen. Ik weet niet hoe dat de mensen in het land bevalt. Ik weet niet hoe dat de SP bevalt. Vooralsnog heel goed, gelukkig. Het is héél prettig dat je merkt dat mensen zoveel vertrouwen in je hebben. SP’ers dus, hè. Actieve SP’ers. Maar je weet niet wanneer, je weet niet hoe. Misschien ben ik dan wel niet gezond, misschien ben ik heel gezond. Maar als de omstandigheden allemaal positief zijn én er is niet iemand van wie ik denk dat hij het beter kan – dat is natuurlijk ook een belangrijke factor – als die opduikt dan...’
Het lijkt wel alsof de partij meer vertrouwen in u heeft dan uzelf.
‘Nee. Ja. Daar was ik al bang voor, dat mijn openheid tot die conclusie zou leiden. Ik denk dat elk mens heel veel van wat ik gezegd heb meemaakt. Maar ga alsjeblieft niet de conclusie trekken dat ik onzeker ben. Dat ben ik ab-so-luut niet.’
U zou ook kunnen zeggen: ik zit hier acht maanden en als het zo doorgaat, ben ik natuurlijk de lijsttrekker.
‘Ik zou dat ontzéttend graag willen. Ik voel me als een vis in het water. Los van dat ene momentje waarop ik even dacht: doe ik het wel goed? Moet ik het bijstellen? Wat heel normaal is. Wat iedereen doet. Maar zoals ik het nu voel ga ik ook echt wel voor het lijsttrekkerschap. Alleen ik ga daar niet over. De partij is belangrijker dan mijn eigenbelang. Dat zit daar achter. Daarom zeg ik: als er iemand is die het beter kan. Ik moet eigenlijk zeggen: als er iemand is die het nóg beter kan. Misschien is dat dan duidelijker.’
U meent het nog echt ook.
‘Ja, dat is misschien gek. Gek hè.’
Politieke leiders willen meestal uitstralen dat zij de onbetwiste leider zijn.
‘Ik geloof dat er nu niemand aan twijfelt. Binnen de fractie niet, binnen de partij niet. Ik vind het ook hartstikke leuk. Ik doe het vol overtuiging. Ik ben helemaal op mijn plek. Ik heb er alle vertrouwen in. You ain’t seen nothing yet. Daar zit het hem niet in. Maar vooruitgang is ook dat je altijd open staat voor als er andere dingen beter zijn.’
Wanneer u iemand anders beter vindt, zegt u: doe jij het maar.
‘Ja, maar die zie ik nog niet hoor. Zo onbescheiden ben ik dan ook wel weer.’
Wanneer bent u geen goede fractievoorzitter?
‘Als ik het vertrouwen van mensen niet kan behouden voor de SP, dan doe ik het niet goed. Als ik niet inspirerend kan zijn voor fractiegenoten, voor de partij en de mensen in het land, dan doe ik het niet goed. Als ik niet het verantwoordelijkheidsgevoel heb, dan doe ik het niet goed. Jan had, denk ik, wat meer automatische uitstraling en charisma. Ik heb weer andere dingen. Het is altijd een mix van een persoon die maakt of je wel of niet geschikt bent. Om dat nou over jezelf te zeggen, dat vind ik moeilijk.’
Bent u tevreden?
‘Nee. Maar dat ben ik zelden. Het is een hele prettige eigenschap als je vindt dat dingen goed gaan en toch nooit tevreden bent. Dan kom je een eind hoor.’
Wanneer bent u wel tevreden?
Kant denkt lang na. ‘Als we niet meer nodig zijn.’ ... ‘Dat is een mooie hè.’
Ze valt weer even stil en neemt dan snel weer het woord.
‘Nou wordt het weer een soort... dit wou ik nou juist voorkomen. Agnes, zeggen de mensen in mijn directe omgeving: je moet niet elk interview ‘publieke functioneringsgesprekken’ houden. Haha, dat vond ik wel een leuke term. Dussuh... het gaat de verkeerde kant op. Maar vooruit.’
‘Dat gevoel van onrecht en die drive om daar wat aan te doen, verandert niet. Alleen je moet niet denken dat je in één televisieprogramma heel Nederland kunt overtuigen van drie of vier actiepunten van de SP. Te veel gedrevenheid kan ten koste gaan van de kwaliteit. Hebben jullie die uitzending gezien bij Buitenhof met Pechtold en Rutte? Daar kun je wel zien dat het nog weer beter gaat. Iedereen was daar heel tevreden over. Ik zelf ook voor het eerst. Dat heeft iets te maken met de slag die ik in mijn kop gemaakt hebt, denk ik. Ik heb wat meer innerlijke rust gevonden. Mensen denken: die is altijd tak tak tak. Maar heel veel mensen die mij leren kennen zijn verrast – in positieve zin, gelukkig – dat ik in alle rust een gesprek kan voeren en goed kan luisteren. Het is ook beeldvorming.’
Dat bijterige is toch juist uw kracht, daar waarderen veel mensen u om..
‘Het was een tijdje zo, maar het is voor een deel ook mijn kracht. Niet als het kefferig is, maar wel als het vasthoudend is. Als mijn tegenstanders me allercharmantst vinden, heb ik ook een probleem. De kunst is natuurlijk om het leuk, charmant te doen én strijdbaar te zijn.’
Ze vertelt enthousiast dat ze graag uit haar dak gaat als haar man met zijn soulband optreedt. ‘Dan ben ik heel spontaan. Dan ben ik leuk. Dan ga ik los. Dan interesseert het me geen bal dat mensen denken: wat staat die te dansen. Het heeft iets heel ontspannends als ik lekker uit mijn dak ga op de muziek van mijn man. Ik vertelde dit verhaal al eens eerder op de radio en toen zei die man: Nou, daar kan ik me nou niks bij voorstellen. U dansend op muziek in een minirokje. Dan denk ik: hallo, wie is hier de zuurpruim?’
‘Toen zei ik: dan ga je toch gewoon gezellig een keer mee. Zo’n reactie geeft aan...Ach, wat kan mij het allemaal schelen.’
Het kan u heel veel schelen.
‘Op het moment dat zo iemand dat zegt, kan het me niks schelen. Dan denk ik: flikker toch op man. Maar als ten onrechte het beeld ontstaat dat je een zure vrouw bent, kan me dat natuurlijk wel schelen. Ik heb een serieuze inslag. Absoluut. Maar het is ook een beetje lastig om grapjes te maken over ouderen die niet te vreten krijgen, die niet naar het toilet mogen en in de poep liggen. Of mensen die doodgaan op de wachtlijst. Ik zat wel heel erg in de serieuze onderwerpen. Maar ik ben geen zure vrouw. Ik kan ontzettend om dingen lachen.’
Voor iemand die vindt dat het over de inhoud moet gaan, gaat het wel erg veel over uzelf.
‘Ja, gek is dat. Het ligt toch niet aan mij, volgens mij. Jullie stellen de vragen. Ik ben open, ik loop er niet voor weg. Maar als het in een debat niet gaat over de inhoud, dan kan ik daar niet zo goed tegen, nee. Dat is niet zozeer omdat het mezelf frustreert, ik bedoel: wat kan mij mezelf schelen? Maar als je het debat aangaat, dan sta je ergens voor. Anderen kunnen het daar oneens mee zijn, oké, maar het debat gewoon omzeilen...’
Wilders deed dat laatst. Hij zei: uw argumenten worden echt niet beter als u er zuur bij gaat kijken.
‘Ja, dat was heel zwak. Toen had hij gewoon geen antwoord. Dan confronteer je hem met zijn hypocrisie en dan komt hij daar gewoon niet uit. Ik had hem gewoon tuk.’
Maar die oneliner blijft wel hangen.
‘Moet ik me dan ook verlagen tot dat niveau? Dacht het niet. De kunst is dan, maar dat moet ik misschien nog leren...’
De kunst is om er met een nog briljantere oneliner overheen te gaan.
‘Tuurlijk doe ook ik mijn best om het zo te vertellen dat het ergens opgepikt wordt. Ik ben niet dom. Maar ik zal nooit dat waar ik voor sta, verloochenen, iets met een grapje afdoen. Dat ligt me niet echt, nee. Maar misschien leer ik het nog een beetje. En misschien kan ik de inhoud en het grapje combineren. Als ik die sleutel vind, dan ben ik weer een stapje verder.’