Door: Merel van Leeuwen 
Gepubliceerd: donderdag 23 juli 2009 23:00
Update: vrijdag 24 juli 2009 06:29
Nederland kent geen scheiding der machten, zegt de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak.
In zijn tijd als rechtbankpresident in Rotterdam werd Erik van den Emster onverwacht geconfronteerd met fors meer jeugdzaken. Navraag leerde hem dat de hoofdofficier van justitie, de burgemeester en de korpschef tijdens het zogenoemde driehoeksoverleg hadden besloten zich meer te richten op dit soort zaken. ‘Ik wist daar niets van. Als dat wel het geval was geweest, had ik de rechtbank hierop kunnen voorbereiden.’ Het was voor Van den Emster aanleiding om af en toe aan te schuiven bij zo’n overleg.
Hij zit nu in Den Haag, als voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, die de schakel vormt tussen de minister van Justitie en de gerechten. ‘Driehoekplus noemde ik het dan.’ Volgens hem gebeurt het nu ‘nagenoeg overal’ dat een rechtbankpresident soms aanschuift bij de driehoek. Maar hoe zit het dan met de scheiding der machten? ‘Die hebben we in Nederland eigenlijk nooit gehad’, stelt Van den Emster. ‘Niet in de zin dat de machten niks met elkaar te maken hebben. Rechters adviseerden altijd al over wetgeving.’ Hij ziet het meer als het evenwicht bewaren tussen de machten. ‘Wij moeten over een wetsontwerp kunnen zeggen dat het negatieve gevolgen heeft als het wordt ingevoerd. Net als dat de politiek kan zeggen dat de straffen voor ambulancepersoneel te laag zijn.’
Notulen niet genoeg
Van den Emster vindt de aanwezigheid van rechtbankpresidenten bij het overleg met de regionale driehoek soms noodzakelijk. Het toesturen van de notulen van de vergadering volstaat niet. ‘Soms moet je als rechtbank zeggen dat je niet kan waarmaken wat de driehoek wil. Soms houden ze daar rekening mee, soms ook niet. In mijn tijd in Rotterdam zei ik dan, het is jullie beslissing om het toch in te voeren, maar jullie moeten niet boos op mij zijn als wij die rechtszaken niet meteen kunnen verwerken. Het werd dan vaak opgelost door een geleidelijke invoering.’
De angst dat een rechtbankpresident meebeslist over beleid dat tijdens het driehoeksoverleg wordt bepaald, is volgens hem ongegrond. ‘Ik heb nog nooit meegemaakt dat er over de inhoud werd gesproken.'
Wel ervaart Van den
Emster die politieke bemoeienis met de rechtspraak die volgens hem
alleen maar toeneemt, over het algemeen als negatief.
‘We leven in een incidentensamenleving en ik vind dat rechters er
zijn voor de continuïteit. Zij zijn er niet voor om als een windvaan
van het een naar het ander te lopen.’
Dat de politierechter in Amsterdam de hogere strafeisen van het
Openbaar Ministerie wegens geweld tegen politieagenten niet geheel
volgde, heeft te maken met rechterlijke onafhankelijkheid, stelt Van
den Emster. ‘Wat ik belangrijk vind, is dat de rechter uitlegt waarom
de eis niet helemaal is gevolgd.’
Dat geldt in zijn ogen ook voor het rookverbod. Het is volgens hem
juist goed dat rechters daar verschillend over oordelen. ‘Het gaat hier
om volstrekt nieuwe wetgeving, waarbij je ernstig van mening kunt
verschillen over het effect van de regeling.’
Van den Emster wil hiermee niet zeggen dat het een slechte wet is,
nu hij voor meerdere uitleg vatbaar is gebleken. ‘Rechtsontwikkeling
brengt je verder in je denken, of het een goede of slechte wet is. Als
de Hoge Raad uiteindelijk zegt, ik begrijp het verschil van inzicht,
want de wet is onduidelijk, dan is dat een aanmoediging voor de
wetgever om het beter te doen.’
Bestuurders krijgen steeds meer bevoegdheden die eerder aan de
rechter waren voorbehouden. In een tijd waarin burgemeesters
bestuurlijke boetes mogen uitdelen en pedofielen kunnen dwingen te
verhuizen na het uitzitten van een gevangenisstraf, kalft het domein
van rechters af.
‘Het is de vraag of het erg is dat een aantal taken bij rechters is
weggenomen. Zolang een burger nog de mogelijkheid heeft zijn zaak voor
te leggen aan een rechter, is dat geen probleem’, vindt Van den Emster.
‘Aan die rechtsbescherming moet niet worden getornd.’