Door: Kustaw Bessems 
Gepubliceerd: maandag 10 augustus 2009 22:45
Update: dinsdag 11 augustus 2009 11:47
Een Ghanees geeft je netjes zijn rijbewijs, maar een Nigeriaan kan wel eens gaan schelden. En sommige autochtonen zijn zo boos dat ze met honkbalknuppels tegen Marokkaanse rovertjes dreigen. Commissaris Ad Smit over 33 jaar politiewerk in een veranderende stad.
Voor de deur staat zijn Opel Vectra. Met de neus naar voren. ‘Je zult een politieman nooit vooruit zien inparkeren’, zegt Ad Smit, districtschef voor Amsterdam-Oost en Zuidoost. ‘Die wil altijd in één keer kunnen wegrijden.’

Foto’s: Klaas Jan van der Weij
Hij moet overleggen, papierwerk doen en ‘op de centjes letten’ in zijn functie, maar hij is een vroege vogel, zegt hij, en zo (‘Mijn bureau is altijd leeg’) lukt het hem om eenderde van zijn tijd vrij te maken voor ‘buitenspelen’. ‘Ik draai nog regelmatig avond- en nachtdiensten mee. Als je leiding geeft aan zeshonderd mensen moet je niet alleen afgaan op papier. Wat ik ook wel eens doe, misschien een rare gewoonte, is bij een willekeurig woonadres aanbellen, me voorstellen en vragen of ze tien minuten voor me hebben. Meestal zo net na het avondeten. En dan luister ik eens even hoe die mensen de veiligheid in de wijk ervaren.’
‘Maar ik leg ook bezoeken af aan allerlei gemeenschappen, bijvoorbeeld de Ghanezen in de Bijlmer, heb ik goed contact mee.’ Ad Smit heeft de bevolkingssamenstelling van de stad zien veranderen sinds hij in 1976 als wachtcommandant begon bij op het toenmalige bureau Leidseplein.

Amsterdam was, toen u begon, al geen puur witte stad meer.
‘Nou, het was in opkomst. Gastarbeiders waren er, maar daar was nooit iets mee. En de Surinamers kwamen. Zelf woonde ik, net van de academie af, de eerste tweeënhalf jaar in de Bijlmer. Op een van de flats die inmiddels is afgebroken, de Kempering.’
Met spot: ‘Het zag er toen iets anders uit dan nu. Ik moest eerst voor de ballotagecommissie. De woningbouwvereniging keek of ik voldoende inkomen had, of ik er wel paste.’
‘Als politieman werk ik nu voor de vijfde keer in de Bijlmer. Ik heb er veertien jaar van mijn loopbaan doorgebracht. Ik heb gezien: een Bijlmer in een absolute luxepositie, daarna de hele teloorgang – dat het dreigde één groot crimineel nest te worden. En dan zie je toch dat wij in Nederland een heel hoog zelfreinigend vermogen hebben. Het bijzondere vind ik altijd: er gaat tien jaar discussie aan vooraf hè, maar uiteindelijk komt er zo’n omslagmoment: jongens, we hebben het niet goed gedaan. En dan is er ook de bereidheid, dan gooien we er ook vier miljard tegenaan en breken we zo’n Bijlmer af en bouwen we een nieuw Zuidoost op.’
‘Wat me trof: we hebben eens per jaar een bijeenkomst voor oud-commissarissen. Ik zeg: laten we ze eens meenemen naar de Bijlmer. Staat op hun netvlies als: bizarre flats, grijs, met allemaal leegstaande bergingen waar allerlei gespuis in leefde. Die mannen kwamen nu kijken en zeiden: dit kan niet, wij zien hier absoluut die Bijlmer niet meer terug, we zien mooie, gezonde, groene woonwijken.’
‘De start is niet goed geweest. Alle Surinamers werden destijds in de flat Gliphoeve geduwd. Van onze kant werd wel eens gezegd: is dat nou slim, mensen die uit een heel andere omgeving komen en hier moeten inburgeren, om die allemaal bij elkaar te zetten? Maar als je daar vroeger wat van zei, zat je al snel in de sfeer van: hij discrimineert.’

‘Bestuurders hadden daardoor een grote terughoudendheid. Ik heb ooit als jong inspecteur op bureau Warmoesstraat een rapport geschreven over de problemen op de Zeedijk. Ik heb ook daar benoemd: dat zijn toevallig Surinamers. Daar ben ik op aangesproken, door toenmalig burgemeester Polak. Die zei: dat lijkt wel discriminatie. Ik zei: daar heeft het niets mee te maken, ik constateer feiten. Nou, we hebben gezien hoe het afliep – het heeft later geloof ik een miljard gekost om de Zeedijk op te knappen. Dat is wel veranderd. Die signaalfunctie van de politie wordt nu wat serieuzer genomen.’
Welk signaal geeft u vandaag de dag, hoe ziet u al die bevolkingsgroepen zich ontwikkelen?
‘Ik durf keihard vol te houden dat Surinamers niet meer van Nederlanders verschillen. Die gemeenschap is gewoon vanuit een gesloten groep, aan elkaar hangend, uitgegroeid tot een onderdeel van onze samenleving. Maar je ziet dat bij de ene groep de wil om onderdeel uit te maken van onze samenleving veel groter is dan bij de andere. Bij Antillianen gaat dat wat moeilijker. Ook nu nog, terwijl ze ook al heel lang in dit gebied wonen.’
Zulke verschillen, dat hoor je ook vaak over Ghanezen en Nigerianen, twee andere grote groepen in Amsterdam-Zuidoost.
‘Praat met Ghanezen zelf en ze leggen het beter uit dan ik het kan doen. De dodelijkste fout die je hier kunt maken als politieambtenaar is een Ghanees aanspreken met de vraag of hij wellicht uit Nigeria komt. Ze moeten elkaar gewoon niet, om het maar op z’n Hollands te zeggen.’
‘Ik weet dat honderden Ghanezen hier inderdaad succesvol hoge opleidingen afronden. Artsen, op de universiteit, met name vrouwen. Ik ken veel Ghanezen die een koophuis hebben. Ik denk dat de Ghanezen zelfs de problemen van de tweede generatie zullen overslaan. Ik vind ze buitengewoon leergierig. Het is vriendelijk volk. Terwijl wij moeten constateren dat een deel van de Nigerianen nogal eens in het grijze gebied bezig is.’
‘Wij worden vaker geconfronteerd met Nigerianen die zich schuldig maken aan ernstige vormen van criminaliteit. Er is natuurlijk ook wel eens een Ghanees betrokken bij een incident, maar als ik dat afzet tegen Nigerianen, dan verdient die laatste categorie ongeveer de hoofdprijs. Nigeriaanse criminaliteit zie je in de hele wereld, zoals in Engeland, met die bankfraude. Er is geen wetenschappelijk onderzoek voor nodig om vast te stellen dat de ene groep buitengewoon succesvol is en de andere groep niet kan of niet wil.’

De laatste maanden zijn er veel schietincidenten in Zuidoost. Gaat dat, zoals wel is beweerd, om een Nigeriaanse drugsoorlog?
‘Geen sprake van, daar blijkt vooralsnog niks van uit de onderzoeken die ernaar lopen. Op dit moment is er niet eens aanleiding om die incidenten met elkaar in verband te brengen.’
Is het nuttig om als politieman die verschillen tussen bevolkingsgroepen te zien?
‘Wij mogen en willen absoluut geen verschil maken in aanpakken van of controleren op. Het heeft ook geen zin. Want als binnen de gemeenschap, die uit 179 nationaliteiten bestaat, alleen maar het gerucht ontstaat dat de politie selectief controleert, dan graaf je je eigen graf. Maar in dit gebied is het als politieambtenaar wel nodig dat je hun gewoontes kent, de uiterlijke kenmerken. Na een jaar of vier, vijf ben je buitengewoon goed op de hoogte. Dat doe ik hier niet alleen, dat doet het hele Amsterdamse korps.’
‘Ik zal je een voorbeeld noemen. Over het algemeen als je weet: oh, daar rijdt een Ghanees door rood, ik laat hem even stoppen, dan laat hij netjes zijn rijbewijs zien – sorry sir. Bij een Nigeriaan komt het een stuk vaker voor dat hij voordat je één woord hebt gezegd al begint van: je moet me zeker weer hebben omdat ik zwart ben. Als je dat als politieambtenaar weet, kun hem anders benaderen. Omdat je weet dat daar wat driftmatigheid in zit. Dat zie je ook een beetje bij Surinaamse en Antilliaanse mensen, waarbij de laatsten soms wat feller reageren op de politie, want die hebben het niet altijd zo op de overheid.’
Als het bij iemands cultuur hoort, laat je zo’n felle reactie over je heen komen?
‘Wij zitten er niet op te wachten dat zaken voortdurend escaleren, want je wilt die binding houden. Je moet accepteren dat er af en toe reactie komt. Er zijn wel grenzen aan wat je je kunt laten welgevallen. Het is handjes thuis. Ook in de bewoordingen zit een zekere grens. Die is niet precies aan te geven, maar we laten ons niet verrot schelden. Een politieambtenaar zou eigenlijk zo mondig moeten zijn dat hij iemand van repliek kan dienen. Niet meteen een zaak van maken, houd toch op, we zijn niet van suiker. Dan moet je dit vak niet kiezen.’
We hebben het nu over de Bijlmer. Neem ons eens mee naar Amsterdam-Oost.
‘Een samenleving die behoorlijk multicultureel is. Vooral door Marokkaanse mensen die daar in ruimen getale wonen. We hebben op straat om de een of andere reden wat minder problemen met Marokkaanse jongeren dan in Amsterdam-West. Dat heeft ook met de bouw te maken, minder flats. En wij hebben in de buurt waar voorheen de meeste problemen waren, de Transvaalbuurt, tegenwoordig een buitengewoon actieve Marokkaanse inspecteur rondlopen. Die de taal en de cultuur kent. Als hij er is, hoef ik er niet te komen. Ze hebben allemaal respect voor hem.’
In Oost geen Marokkanenprobleem?
‘We hebben natuurlijk wel last met ze. Vooral die zogenaamde Italiaanse methode, dat beroven met die scootertjes, is er erg geliefd. Gemiddeld gebeurt het een of twee keer per week. Dat doen vooral jonge Marokkanen, zo simpel is het. Ik kan er ook geen eskimo’s van maken.’
Wat bemerkt u onder autochtonen?
‘Dat ze zich zorgen maken over allochtonen. Ik vind dat vaak te kort door de bocht, beoordelen op uiterlijk. In Oost merk ik dat de verhoudingen soms hard zijn. Dat bepaalde groepen open tegen mij praten over ‘die klotemarokkanen’. Dan zeg ik: ja jongen, dat kun je nou wel roepen, maar weet je ook waarover je het hebt? Ik heb in Oost iets van 19.000 Marokkaanse mensen wonen. Als die allemaal één misdrijf per jaar zouden plegen, had ik nooit de cijfers die ik nu had. Dus dat is onzin. Ze vallen meer op, die Marokkaanse groepen. Ze clusteren bij elkaar op straat. Om zich sterker te maken. En dat ziet men gewoon voor z’n ogen gebeuren. Maar dat zijn er twintig of dertig en niet die duizenden die gewoon aan het werk zijn.’
‘Ook op buurtbijeenkomsten hebben mensen het over ‘kut-Marokkanen’. En ze roepen het op straat, naar de Marokkanen zelf. En bij opstootjes. Dat ze tegen ons schreeuwen vanaf de zijlijn: als je nou niet ingrijpt, dan doen we het zelf wel, op een andere manier, dan komen de honkbalknuppels tevoorschijn. Dat heb ik zelf geconstateerd, mijn oren zijn nog goed. En dat accepteren we niet hè, dat is eigenrichting. Tot op heden hebben we het weten te regelen, te beëindigen. Begin dit jaar heb ik de korpsleiding op de hoogte gesteld: de reactie van autochtonen op Marokkanen is heftig, er moet wat worden gedaan. Nou, daar hebben we ook fors op ingegrepen. We hebben tientallen van die rovers aangehouden. En intussen hebben we extra opgelet – vooral de buurtregisseurs – of het met die autochtonen niet echt uit de hand liep. Maar als je het probleem wegneemt, zie je hun reacties ook wegebben.’
Het beperkt zich tot mopperen en schelden?
‘Nog wel. Je moet er wel serieus in zijn. Uitstralen dat jij hun kant niet kiest als het om dat soort bewoordingen gaat. En dat je optreedt als het te ver gaat. Het moment dat de handjes gaan wapperen, op het moment dat men collectief dingen zou organiseren tegen bepaalde bevolkingsgroepen. Dan gaat het mis, dan grijp ik in. Wanneer ik als politiechef zou weten dat een groep zich organiseert om een andere aan te pakken, pak ik ze allemaal op.’
‘Zolang het mij gegeven is, zal ik me er met hand en tand tegen verzetten. Het is een ongelofelijk gevaarlijk item. Ik vind het makkelijk om als het je zelf niet goed gaat – en er zijn in deze tijd dat het wat minder gaat mensen die in de problemen zitten – dat af te reageren op anderen. Daar hebben we halverwege de vorige eeuw wel een heel slecht voorbeeld van gehad.’