Door: Kustaw Bessems
Gepubliceerd: zondag 27 september 2009 23:28
Update: maandag 28 september 2009 07:44
De partij was bijna dood, maar tegenwoordig moet D66-voorzitter Ingrid van Engelshoven de opportunisten en gelukszoekers weer van zich af slaan. En de mensen die de partij haten? ‘Hun goed recht, beter dan dat ze niks van je vinden.’
Ze was als groentje nog persoonlijk medewerkster van Hans van Mierlo. De man die D66 oprichtte, verpersoonlijkte. De man die D66 wás. Ze werd partijvoorzitter vlak nadat dezelfde Van Mierlo had gezegd: ‘Ga je nou door of zeg je veertig jaar is genoeg geweest?’, op het moment dat de partij op één – ja, één! – zetel stond in de peilingen. ‘Mensen zeiden tegen me: we kunnen het congres wel bij je thuis houden’, herinnert Ingrid van Engelshoven zich.
En kijk nu, tweeënhalf jaar later, de partij glorieert. Dankzij de mondige politiek leider Pechtold en dankzij de stille kracht Van Engelshoven. ‘Ik hoop de voorzitter te worden met de meeste D66-leden ooit. Het zijn er nu dik 16.000. In 1981 waren het er op het hoogtepunt bijna 18.000. Elke week komen er honderd bij.’

| Foto: Frank Groeliken
Mevrouw Van Engelshoven, even over uw day job. Voordat u voorzitter werd, was u vooral bekend als lobbyist voor de drankindustrie.
‘Ja. Nee. Ik was directeur van de Stichting Verantwoord Alcohol Gebruik, in het leven geroepen door de alcoholindustrie. Ja, ook natuurlijk om haar belangen te behartigen. Kijk, zo’n industrie heeft er ook geen belang bij dat het drankgebruik onder jongeren ontspoort. Mij was gevraagd: kijk wat wij daar als industrie aan kunnen bijdragen. En intussen ook: wij willen niet dat er van alles wordt verboden waar we niet in geloven. We willen wel dat er wat gebeurt, maar we willen ook dingen niet.’
U bent nog steeds lobbyist, bij Dröge en Van Drimmelen.
‘Adviseur public affairs. Dat is voor een deel lobbyist.’
Op de website van het bedrijf lezen we: ‘Hoe beïnvloedt u (politieke) besluitvorming zodanig dat het de belangen van uw organisatie recht doet?
‘Wat ik doe moet je een beetje vergelijken met het werk van een advocaat. Ik leg het proces uit. Bedrijven en brancheorganisaties hebben de grootste moeite om te doorgronden hoe publieke besluitvorming werkt. Ik neem ze aan het handje. Ik werk nu voor de koepel voor adverteerders en reclamebureaus, voor de provincie Brabant en voor de supermarkten.’
En die zeggen dan natuurlijk: laat uw vriend Pechtold eens een Kamervraag stellen.
‘Nee nee. Ik heb wel eens discussies met opdrachtgevers als ze horen dat ik voorzitter van D66 ben. Zij zeggen: wat wij vinden staat niet in uw partijprogramma, dat is lastig. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat ik de opdrachtgever leer hoe je in dat proces met belangen omgaat. Hoe meer ik het met een opdrachtgever oneens ben, des te beter kan ik adviseren. Want je weet heel goed: ik kan daar van alles tegen in brengen.
Het zou te simpel zijn: oh, dat is handig, want die heeft allerlei lijntjes. Pechtold zou ongeveer de laatste zijn die ik zou benaderen voor het stellen van Kamervragen. Juist omdat je dan de verdenking op je laadt.’

U benadert andere Kamerleden?
‘Ik adviseer klanten hoe ze dat moeten doen. Ik doe het zelden zelf. Alleen als de opdrachtgever een heel klein bedrijf is, dan ben je extra handjes. Maar zo’n politiek profiel hebben is eerder een handicap dan een pre in dit werk. Ook omdat je weet dat iedereen er scherp op zal letten.’
Dat politieke profiel. Wat zag u nog in dat zieltogende D66, een paar jaar geleden?
‘Ik was sinds 1986 actief. Ik zou niet weten waar ik anders politiek onderdak zou vinden. Ik heb nooit getwijfeld aan het bestaansrecht van het gedachtegoed van D66. Een substantieel deel van de kiezers zal de vrijzinnige, sociaalliberale stroming vertegenwoordigen. En de partij is daar het voertuig voor.’
Ah, want dat is het gedachtegoed van D66?
‘Nou ja, en open hè. Internationaal, tolerant.’
Jullie schrijven het nooit eens netjes op, dat gedachtegoed.
‘We hebben de vijf richtingwijzers…’
Pardon, richtingwijzers?
‘Richtingwijzers. De eerste, ‘Vertrouw op de eigen kracht van mensen’, is net in een boekje uitgewerkt. Daarmee bedoelen we dat we bij problemen niet direct naar de overheid kijken, zoals bijna alle andere partijen. We kijken eerst wat mensen zelf kunnen doen. Dat is de kern van wat D66 vindt. We hebben geen behoefte aan een geharnast beginselprogramma.’
Hebt u wel eens gedacht: een ander voertuig is beter dan D66?
‘Ja, tuurlijk wel. Toen de partij in peilingen tot bijna niets werd gereduceerd. Maar ik heb ook steeds gedacht: veertig jaar partijhistorie gooi je niet zomaar overboord.’
Was dat sentiment?
‘Ja, tuurlijk. Ik ben er meer dan twintig jaar, meer dan de helft van mijn leven, bij. De mensen bij wie ik me thuisvoel. Het is mijn club.’
Wat wilde u worden in dat moment van twijfel? Liberale vleugel PvdA? Linkervleugel VVD?
‘Nee, ik dacht aan iets nieuws. Maar ik zag ook hoe lastig het is om iets op te bouwen. Partijvoorzitter worden was een rationele keuze. Er was binnen D66 nog een deel trouw kader. Je bent gek als je niet probeert dat nieuw leven in te blazen. Daarbij, we stonden op dat dieptepunt omdat we zelf fouten hadden gemaakt. Het mooie is dat je die ook zelf kunt herstellen.’
Wat was de ergste fout?
‘Interne verdeeldheid. Les één in de politiek, moet je nooit doen, daar houdt de kiezer niet van.’
Hoe vond u de weg omhoog?
‘We vertelden ons eigen verhaal en deden dat eensgezind. Pechtold en ik zijn het altijd snel eens. Er is geen speld tussen te krijgen.’
Politici hebben het altijd over dat eigen verhaal. Wat bedoelt u daar toch mee?
‘We waren te veel bezig met het uitleggen van compromissen. Dat begon al onder het eerste paarse kabinet, begin jaren negentig.’
Is de herrijzenis niet geheel dankzij uw fractievoorzitter in de Tweede Kamer, Pechtold?
‘Hij heeft er een heel groot aandeel in. Hij straalt uit waar we voor staan en hij is een scherp parlementariër. We zitten met een kabinet dat niet verder komt dan de status quo. Er is veel sikkeneurigheid in het land. Hij laat zien dat er ook kansen zijn.’
Of is het eigenlijk uw verdienste?
‘Het kader weer opbouwen was mijn taak. Dat is ook belangrijk.’
Vindt u het moeilijk om zich op de borst te kloppen?
‘Ik zeg soms tegen mezelf: dat doe je niet zo gek.’
Waarom wilt u eigenlijk zo snel zo veel leden erbij? Het moet doodeng zijn, wat nu allemaal op uw partij af komt!
‘Nee, dat is niet eng. Tuurlijk zie je met de hoge peilingen ook gelukszoekers en politiek opportunisten die hun knopen tellen en denken: waar is mijn kans het grootst.’
Ook toppers die wel staatssecretaris willen worden en u bellen?
‘Als je succes hebt, heb je vrienden. Maar de gelukszoekers halen we er wel uit. Zeker omdat kandidaten voor de gemeente, provincie of Kamer zich voor de leden moeten presenteren. Die vragen bij nieuwe gezichten stevig door. Zo van: typisch, die was eerst nog raadslid voor een andere partij. Ik vind dat hoge ledenaantal belangrijk omdat er zo cynisch is gedaan over politieke partijen. Ik merk dat mensen wel lid willen worden als je een beroep op ze doet. En het is ook gewoon praktisch: leden helpen de partij te financieren en je kunt eruit rekruteren voor raadszetels.’
Wat krijgt u zoal binnen?
‘Veel jongeren, studenten. Wat hoger opgeleid en stadser dan gemiddeld. Het aantal allochtonen mag nog veel meer worden, maar neemt al toe. Vooral mensen die niet continu op hun allochtoon-zijn willen worden aangesproken.’
Nog een succesfactor: u bent de anti-PVV.
‘Af en toe wordt het beeld daartoe versmald. Ten onrechte, want we keren ons ook ontzettend tegen het kabinet dat de afspraak heeft gemaakt: we doen even niks. Maar inderdaad, wij verzetten ons tegen het nationalistische, conservatieve denken dat je ziet bij Wilders en trouwens ook bij de SP. Wij zijn van het ja-denken. Zij zijn tegen. Wij zijn optimistisch en denken dat er kansen zijn om het land te hervormen naar een sterkere positie in de toekomst. Zij willen terug, behoud, vooral in het culturele domein.’
U doet er toch bewust een schepje op tegen Wilders uit electorale overwegingen?
‘Daar geloof ik niet in. De kiezer prikt er doorheen als je verhaal niet oprecht is.’
Je kunt er voor kiezen om één keer per week oprecht te zijn of drie keer per week.
‘Strategie op beeldvorming gaat altijd mis. Het is iets waar we ons oprecht boos over maken.’
Sommigen zoeken echt hun toevlucht bij u tegen Wilders.
‘Ik herken dat wel. Elke week bel ik nieuwe leden om te vragen waarom ze lid worden en dit hoor ik terug. Maar ook andere redenen. Als ik alleen maar zou horen: jullie doen tenminste iets tegen Wilders, zou ik me zorgen gaan maken. Dan waren we te veel een one issue partij.’

Wilders is vooral anti-islam. Heeft D66 een eigen verhaal over de plaats van de islam?
‘Net zo zeer als over andere religies. Vanuit de overtuiging van de scheiding van kerk en staat. Iemands geloofsovertuiging is vooral privé. Mensen moeten worden aangesproken op hun gedrag in het publieke domein, niet op hun religie. Het is zo’n issue omdat mensen de hele tijd worden aangesproken van: u bent van die religie, dan zult u wel zo en zo. Ik word toch ook niet de hele tijd aangesproken op mijn katholiek zijn?’
Zijn de scheiding van kerk en staat en de plaats van religie in het publieke domein niet urgenter voor de islam dan het katholicisme?
‘De discussie alsmaar voeren over de band van de islam, helpt de participatie niet. In tegendeel. Als je mensen alsmaar op het culturele en geloofsaspect aanspreekt, zullen ze zich eerder terugtrekken, omdat je ze in een hoek zet.’
Sommigen leggen vanuit de islam claims op de publieke ruimte. Van handen weigeren tot gezichtssluiers en gescheiden inburgeren.
‘Probeer er nou eens van weg te komen dat we daar allemaal enorme ideologische kwesties van maken. Daar werpen we barrières mee op. Als de wethouder in Utrecht zegt: ik heb die gescheiden klassen nodig om de participatie te bevorderen, laten we dat dan vooral praktisch bekijken.’
Is een beperkte rol van religie in het publieke domein voor D66 geen ideologische kwestie? Wilt u daar geen barrières tegen opwerpen.
‘We moeten de discussie terugbrengen naar waar het echt om gaat: hoe bevorderen we de participatie? Door ideologische debatten te voeren over wel of niet een hand geven laten we dingen escaleren. Het gaat er om dat mensen respectvol met elkaar omgaan. Als ik – van Nederlandse afkomst – geen hand zou geven omdat ik daar niet van houd, maakte niemand daar een punt van.’
Wel als u met een groep uit principe geen hand geeft.
Lacht. ‘Ze zouden me misschien een beetje gek mens vinden.’
Voelt u, nu uw partij groeit, de verantwoordelijkheid om een brug te slaan naar de mensen die vinden dat er te veel immigratie is, die Europa losgeslagen vinden, die bang zijn dat Polen hun banen inpikken?
‘Het is uiteindelijk aan mensen zelf of ze D66 wel of niet volgen.’
Maar u signaleert sikkeneurigheid in de samenleving. Sommige mensen haten D66. Wilt u daar niets aan doen, al zullen ze misschien niet op u stemmen?
‘Daar kunnen we niet veel aan doen. Het is het goed recht van die mensen. Als je kiest voor een duidelijke boodschap, heb je altijd mensen tegen je. Het ergste is als mensen niets van je vinden.’
Is die houding niet te polariserend?
‘Nee, want we zetten geen mensen weg.’
Misschien wel die mensen. Want die zijn geen wereldburgers, die zitten volgens uw partij achter de dijken verscholen en die denken niet zo groot als u.
‘Nee. Nee. Maar als mensen afkerig zijn van ons verhaal, ja, ergens houdt de verantwoordelijkheid om hen te overtuigen op. We proberen te laten zien dat wij echte oplossingen hebben, maar ik ga mensen niet met het pistool op de borst dwingen.’