Door: Peter Middendorp
Gepubliceerd: dinsdag 6 oktober 2009 23:42
Update: woensdag 7 oktober 2009 09:10
Vanaf woensdag in de winkel: De lachende derde van Peter Middendorp. ‘Het definitieve boek over Balkenende’, aldus collega Tommy Wieringa.
Er lijken weinig facetten in het leven, terreinen, onderdelen, waarin de premier zich werkelijk gemakkelijk voelt. Ter lering en vermaak nemen wij het voorbeeld van de liefde ter hand. Het huwelijk. Jan Peter en Bianca. Zij was beleidsmedewerker sociale zaken van de CDA-fractie in de Tweede Kamer, hij beleidsmedewerker van het Wetenschappelijk Instituut, toen enkele CDA-collega’s als Maxime Verhagen zich genoodzaakt zagen de zielen bij elkaar te brengen. Er moet iets zijn geweest dat men heeft gedacht: die twee passen bij elkaar. Anders doe je zoiets niet.
De rest is geschiedenis.
Ze trouwden, kregen een dochter, Amelie, gingen samenwonen in Capelle aan den IJssel – in deze volgorde. Zij werd docent op een universiteit, meneer premier.

Afstand
Er bestaat een redelijk bekende foto van de twee, gemaakt op 15 oktober 2004 voor het ziekenhuis van Capelle aan den IJssel. Jan Peter is in vrijetijdskleding en op krukken – ternauwernood heeft hij een bacteriële infectie aan zijn rechtervoet overleefd.

Bianca kwam hem ophalen, meenemen naar huis. Ze hield een beetje afstand van haar man, dat wel, het ging even niet over haar – maar ze lachte wel. Vrolijke tijden. Opluchting. Dan wil je wel lachen. Er heeft ook een lieve uitspraak van Jan Peter enige bekendheid gekregen; bij mij wel tenminste. Op de vraag wat zijn lievelingskostje was, antwoordde hij: ‘Bami die mijn vrouw maakt.’ Kijk. Daar kunnen wij ons in verheugen, herkennen ook wel, al ben ik persoonlijk niet zo op bami gebeten. De liefde van de man gaat door de maag, dat is nu eenmaal zo; clichés zijn niet versleten, schrijft Gerard Reve in Zelf Schrijver Worden, maar gemunt. We gunnen de premier een goed liefdesleven, maar sinds we de twee voor het eerst samen zagen, in de achtertuin van het Catshuis was dat, een zomerse dag in juli 2009, zijn wij gedwongen hieromtrent ons hart vast te houden.

De achtertuin van het Catshuis mag er wezen. Het is er ruim, met veel bomen en groene planten rond een weids en lekker vers gemaaid gazon. Tegen de openslaande deuren van het huis was een verhoging opgezet, en statafels onder enkele grote partytenten. De partytent heeft een moeilijk imago. De mensen die eronder staan, lijken vanzelf niet meer te deugen, burgerlijk zijn ze, truttig, zonder veel goede smaak, terwijl de partytent ook mensen droog houdt, samenhang geeft aan een gezelschap; deze tenten kwamen overigens uit het hogere segment. De premier ontving de secretaris-generaal omdat die na vijfenhalf jaar bijna afscheid ging nemen van de NAVO. Er waren hoge militairen uitgenodigd, Jaap en Jeanine de Hoop Scheffer, en Bianca was er ook bij. In de tuin bracht een luchtmachtkapel een aubade: een medley volksliederen van NAVO-landen en speciaal voor De Hoop Scheffer drie liedjes van The Beatles. Daar stonden ze dus, toen ik ze zag: Jan Peter en Bianca naast Jaap en Jeanine, die aan het gebeuren aanzienlijk meer genoegen beleefden dan zij. Zo was het, al hadden we het liever anders gezien: Bianca maakte vermoedens van wankelmoedigheid los, zo mager als zij daar stond, met lange benen in een witte broek, een gelig jasje dat van een ontwerper kwam, halflang, sluik haar, het licht was haar te fel. Jan Peter wist niet goed wat hij met zijn gezicht moest doen, zijn handen en zijn benen, hij kreeg zijn gewicht niet over zijn voeten verdeeld. Zij keken elkaar niet aan. Van aandacht, aanraking of woordjes was geen sprake. Soms trekken partners zich aan elkaar op, desnoods gebruiken zij daar hun afkeer voor, Jan Peter en Bianca zouden schrikken als zij onverhoeds even opzij zouden kijken.

Ongemak
Het ongemak van de premier komt tot uiting in zijn gezichtshuid, zo zagen we in de achtertuin van het Catshuis. Die lijkt er een beetje van samen te trekken. Hij trekt zijn neus op, zodat tussen de ogen kleine rimpeltjes ontstaan. De neus is een apart verhaal. Daar kan hij allerlei bewegingen mee maken. Tics, zenuwtrekjes. De premier kan zijn bril hoger op zijn neus zetten zonder zijn handen te gebruiken. Het ongemak zit ook in zijn schouders. Daar beweegt hij een beetje mee. Gehinderd, lijkt het wel, alsof het jasje niet lekker zit, de stof kriebelt. Nieuwe kleren – ze zeiden dat alles op maat was gemaakt. De armen hangen naast het lichaam, maar stil hangen ze niet. De vingers, de handen. Hij zet de vingertoppen aan elkaar, hangt de handen weer naast de heupen, zet opnieuw de vingertoppen aan elkaar, voor de buik, geeft zichzelf een hand, haalt ze uit de knoop, draait zijn trouwring een kwartslag om de vinger. Dit zijn zo de componenten waaruit het ongemak bestaat; waaruit de premier kan putten, variëren.

Ik kon er niets aan doen, maar zoals hij daar stond, moest je wel even terugdenken aan het bezoek aan president George W. Bush in het Witte Huis, in september 2003 met De Hoop Scheffer gebracht. De zenuwen, het onbehagen – wat een mooi woord is dat toch – het geschuifel, het gedoe. ‘I’m looking forward to the fruitful conversation! Thank you for the good contact, mr. Bush, glad to be here!’ We zagen in de premier zelfs even zijn jeugd terug, we konden er opnieuw niet veel aan doen. Het ventje, het kereltje dat niet kon sporten, misschien niet eens wilde of mocht, de nerd, het sukkeltje. Het jongetje dat het niet goed bedoelde en ook niet slecht omdat het niets bedoelde – moest er iets worden bedoeld? Er bestaan jongens die worden vergeten als er uitnodigingen voor feestjes worden verstuurd, er zijn er die overschieten als zich bij dansles paartjes vormen, en er zijn jongens die vergeten worden te pesten. Balkenende is niet vernederd, er is geen gehakt van hem gemaakt, het ongemak is er niet uitgeslagen. Het kan ook allemaal anders in elkaar zitten natuurlijk, dat het voorgaande alleen maar is gezegd om mijn humeur een kort plezier te doen. Het ongemak kan allerlei verschillende oorzaken hebben. De premier kan staatszaken aan zijn hoofd hebben. Zelfs als ik zeg dat ik hem heel vaak zo ongemakkelijk heb gezien, hem eigenlijk niet anders ken, is nog steeds niet uitgesloten dat hij staatszaken aan zijn hoofd heeft.

Het kan zijn dat de camera’s het met hem doen, de eisen die hij stelt aan zichzelf, zijn beroep, zijn roeping – misschien kijkt hij wel het meest van ons allemaal tegen zichzelf op, zijn beroep, zijn titel; hij is er heel voorzichtig mee (‘de standing der premier’). Maar het kan ook zijn dat het hem niet lekker zat dat het eerbetoon geheel en al was aangericht voor Jaap de Hoop Scheffer en niet voor hem. Dit lijkt misschien wat overdreven, maar van de andere kant zoek je wat kinderachtigheid betreft bij onze premier niet gauw spijkers op laag water. Pesten als overgangsrite, de zwakken weerbaar gemaakt – het kan. Het ging tegen mijn natuur in hem zo te zien staan.

Lachende derde
In de achtertuin was de luchtmachtkapel aan Penny Lane toegekomen, een liedje dat je gemakkelijk terugvoert naar de muziekles op de middelbare school. Jeanine de Hoop Scheffer vond het mooi, zachtjes wiegde zij met haar heupen heen en weer. Jaap stond rechtop, zijn handen hingen op zijn rug. Hij had de kin omhoog en de borst vooruit gestoken; het leek alsof hij zoveel mogelijk van de muziek probeerde op te vangen – geen noot mocht naar Jan Peter. Ik dacht aan de situatie in het CDA, in het begin van de nieuwe eeuw. Het ging er niet lekker aan toe. Voor het eerst in de laatste honderd jaar had de christelijke politiek geen ministers mogen leveren, waren zij buiten de formatie van de regeringen gelaten – de jaren negentig, de jaren van mijn volwassenwording, de jaren na muziekles, velen hadden het als een periode van dooi beleefd, lente, detente. Nu leek de partij opnieuw niet veel stemmen te zullen krijgen. Balkenende was Kamerlid in die tijd. Financieel specialist, als ik het goed heb, en zo slecht moet hij dat niet hebben gedaan, al was het niet veel mensen opgevallen. Twee mannen wilden lijsttrekker worden. Marnix van Rij en Jaap de Hoop Scheffer. Er ontstond een strijd, geen leuke strijd, maar hard, krantenlezers genoten ervan mee. De strijd kostte de mannen hun kansen, ze weken uit, beide naar een andere kant. Toen zagen we ineens, in het midden, Jan Peter Balkenende staan. De derde hond hoefde het bot maar op te rapen, de derde kon met lachen beginnen. Balkenende: ‘Het partijbestuur heeft me niet eens gevraagd of ik lijsttrekker wilde worden, het werd me gewoon medegedeeld!’

Niet iedereen kan een manifest karakter hebben, gelukkig niet, niet iedereen is een calamiteitenman, om even met Hans Teeuwen te spreken, niet iedereen ziet in alles een kans om in te grijpen en zijn stempel te drukken. Iets zeggen, de regie nemen, dwingend aanwezig zijn – Jan Peter heeft er moeite mee, het is niet zijn talent. Waar de anderen Pim Fortuyn bevochten, zat hij er in de dooie hoek van de professor een beetje ongemakkelijk bij te lachen, en won de verkiezingen vervolgens met overmacht. Dat beviel goed, dat was goed bevallen. De besluiteloosheid, de afwezigheid. Onder begeleiding van politiek assistent Jack de Vries werd de handicap tot strategie vermaakt – niets zeggen, anderen de kolen uit het vuur laten halen en er zelf ongeschonden met de winst vandoor proberen te gaan; de derde lachte voortaan met permissie en beleid. De rest is opnieuw geschiedenis. Er kwam een stoet aan kabinetten-Balkenende, Jack de Vries werd beloond met het staatssecretariaat van Defensie, De Hoop Scheffer schadeloos gesteld met het ministerschap van Buitenlandse Zaken, om later, alsof alles nog niet genoeg was, secretaris-generaal te worden van de NAVO. We weten niet hoe Nederlanders aan hun internationale erebaantjes komen, we moeten het doen met onze vermoedens.
The Beatles
Na de aubade kwam de dirigent van de kapel naar voren, tot aan de secretaris-generaal. Hij bracht een militaire groet en overhandigde De Hoop Scheffer drie cd’s en een dvd van The Beatles. Van de koningin moest Jan Peter zijn ‘politieke vriend’ Jaap een sjerp omhangen, een grote oranje, die behoorde tot een van de hoogste onderscheidingen van het land; ridder in het Grootkruis van het een of ander. Dit zijn de machthebbers, dacht ik, de mannen die het moeten doen, die aan de knoppen zitten, wapens en militairen in bruikleen geven, een coalitie van welwillenden op een coalitie helpen lijken, die beslissen over oorlog, leven en dood, en ervan worden verdacht die beslissingen vervolgens te hebben verstopt. Ze bedanken zichzelf met Beatlemuziek en oranje sjerpen. Door deze mannen laten wij ons leiden. Wij mogen zelf ook wel eens een toontje lager zingen. De mannen pakten elkaar even flink bij de bovenarmen en lachten elkaar van zeer dichtbij toe. Toen werd de intimiteit en het ongemak mijzelf te veel en wendde ik mijn ogen af.