Door: Kustaw Bessems 
Gepubliceerd: dinsdag 24 november 2009 01:04
Update: dinsdag 24 november 2009 06:59
Willen we nog wat maken van de integratie dan moeten we van alles. Niet van de wet, maar wel van minister Van der Laan.
Migranten ‘moeten een keuze maken voor Nederland’. De Nederlandse samenleving ‘moet hen als gelijken accepteren’. En burgers mogen wel ongenoegens uiten en maatschappelijke problemen aan de orde stellen, maar dat ‘moet met respect voor de ander’.
PvdA-minister voor Integratie Eberhard van der Laan debatteert vandaag en morgen met de Tweede Kamer over zijn integratiebeleid. In politiek en bestuur wordt nogal eens laatdunkend gedaan over management by speech, maar uitgerekend integratiebeleid bestaat slechts voor een relatief klein deel uit maatregelen en voor een betrekkelijk groot deel uit woorden. Woorden die normen stellen en richting geven.
En dus is het niet alleen interessant dat Van der Laan zich inspant om meer mensen te laten inburgeren, dat hij gemengde wijken wil bouwen, de remigratieregeling beperkt en de eisen aan huwelijksmigratie wil verhogen. Maar vooral ook wat hij aan de Tweede Kamer schrijft in zijn bredere visie op integratie. En daarin valt in elk geval één woord op: moeten.
‘De discussie over integratie moet zorgvuldig gebeuren’, stelt hij bijvoorbeeld. ‘Scherpe discussies en confrontatie hoeven geen probleem te zijn’, meent Van der Laan, ‘zolang deze gericht zijn op het zoeken naar een oplossing. Generalisaties moeten worden vermeden.’
Natuurlijk moeten burgers altijd al van alles van de overheid. En andere dingen mogen ze juist niet. Staat in de wet. Daarnaast wil de staat ons wel eens ergens toe stimuleren of ons ergens in ontmoedigen. En een enkele keer wordt een dringend beroep op ons gedaan – denk aan premier Balkenende die programmamakers opriep om niet al te grove satire te bedrijven over het koningshuis. Van der Laan heeft een aantal passages in zijn brief aan de Kamer ook meer bedoeld als wens dan als wet. De toon is echter dwingend.
Zo schrijft hij ook: ‘Discussie mag controversieel zijn en confronterend worden gevoerd. Wel moeten we ervoor waken dat problemen op de spits worden gedreven.’ En voor wie het dan nog steeds niet heeft begrepen: ‘Discussie over de spanning tussen vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst is van groot belang, maar moet wel in het teken staan van het zoeken naar een oplossing, toenadering of wederzijds begrip.’
Een minister die zich zo bemoeit met het maatschappelijk debat gaat ver. Want hoezo moeten burgers zorgvuldig discussiëren? Zijn ze niet vrij om binnen de grenzen van de wet zo onzorgvuldig te zijn als ze zelf willen? Waarom zouden ze ertoe gehouden zijn ‘te zoeken naar wederzijds begrip’?
Er gaat ook iets onmachtigs van uit: zeggen dat allerlei dingen moeten, zonder dat hij daar ook maar enige controle over heeft.
Van der Laan is niet louter maatregelmachine
Van der Laans ‘moeten’
dreigt ook onmachtig over te komen wanneer hij eisen stelt aan ‘nieuwe
Nederlanders’. Die ‘zullen een onomwonden keuze moeten maken voor
actieve deelname aan de Nederlandse samenleving.’ En: ‘Nog vaker zou
het een bewuste keuze moeten zijn om te investeren in een huis en
toekomst in Nederland in plaats van een huis en toekomst in het land
van herkomst.’
Van der Laan erkent ruiterlijk dat allochtonen met de Nederlandse
nationaliteit vaak niet kunnen worden verplicht tot inburgeren. En hij
geeft ook toe dat het eigenlijk elke Nederlander vrij staat te sparen
voor een huis waar dan ook in de wereld. Het is dan ook makkelijk – en
de Kamer zal dat zeker doen – om hem te verwijten dat hij veel praat en
te weinig doet. Op die aantijging reageert Van der Laan doorgaans – als
door een wesp gestoken – met de opsomming van een reeks ingrepen.
Toch is ook de verplichtende taal waar geen maatregelen aan zijn
gekoppeld begrijpelijk. Van der Laan doet zijn best om te laten zien
dat hij en de PvdA de vrijblijvendheid voorbij zijn. Daarbij onderkent
hij meer dan eerdere bewindspersonen dat de discussie over integratie
soms meer moreel is dan praktisch. Dat die gaat over de vraag ‘wie
willen we zijn?’
Én Van der Laan heeft een ouderwetse opvatting van wat een minister
hoort te zijn. Geen maatregelmachine, maar een gezagsdrager die
verstandige dingen zegt, waarnaar de mensen – hoopt hij – luisteren.