Door: Nico Dijkshoorn » Meer columns van Nico Dijkshoorn 
Gepubliceerd: donderdag 11 maart 2010 23:35
Update: donderdag 11 maart 2010 23:50
Dinsdagavond was ik op het boekenbal. Ik zat, een uur na de openingsvoorstelling, in een van de stoeltjes midden in de zaal. Mensjes kijken. Daar lopen er tijdens een boekenbal nogal wat van in de rondte, mensjes. Mooi aangeklede mensjes.
De Nederlandse literatuur in een notedop. Doordeweeks in een joggingbroek, met een zwetende zak vier dagen zwoegen op de eerste alinea van alweer je twaalfde roman over een gelukkige jeugd en dan 1 keer in het jaar, in een gehuurd zwart pak, heel hard staan lachen, met het hoofd in de nek en de mond wijd open, om iemand die je zou moeten kennen.
Vlak voor mij viel iemand op de grond. Een vrouw met een jurk. Ik vond dat erg aangenaam. Het paste zo mooi in het thema van de boekenweek: Titaantjes, opgroeien in de letteren. Ach ja, de jeugd, toen je nog meerdere malen per week heel hard op straat viel en niemand op of om keek. Het ergste vallen was met een nieuwe broek. De woede van je moeder en weten: ik moet morgen naar school met een op mijn knie genaaid stoffen lieveheersbeestje.
Niets onderscheidt volwassenen zo van kinderen als de onverhoedse val. Kinderen blijven roerloos liggen. Dat is het moment waarop ze kunnen gaan huilen. Net zo makkelijk kan een kind weer opstaan, over het voorhoofd wrijven en richtingloos op een nieuwe impuls afhollen. Het kan ook dat je ze in de supermarkt, vlak naast de verpakte harde worst, eeuwig moet troosten.
Volwassenen huilen nooit als ze vallen. Dat maakt het zo wonderschoon. De beweging is hetzelfde. De wegglijdende hak, de maaiende armen en dan de val. Het neerkomen op de grond is wel al anders. Volwassenen proberen er tegen beter weten in nog iets van te maken. Dat is erg ontroerend.
Zo zijn wij, volwassenen, zelfs als we naar de grond lazeren willen we er een mooi cijfer voor. Het is de schaamte die ons zo raar laat vallen. We hopen, liggend op onze rug, met het bloed langs onze wang, dat niemand het heeft gezien.
De vrouw die vlak voor mij op de grond viel lag er mooi bij. De zorgvuldig gekozen jurk hing hoog opgekropen om haar dijen. Een schoen was uit. Ik wilde gezellig even tegen haar aan gaan liggen. Dat zou prachtig zijn. Helpen. Bij een balk in het verlaagde plafond gaan staan wachten tot volwassenen daverend met hun hoofd er tegen aan wandelen en er dan gewoon voor ze zijn. Even zwijgend om ze heen hangen. De rug strelen. Het doet grote au, het hoofd, maar het is helemaal niet raar. Niemand zag het.
Ik deed dat nu niet. Ik ben een schrijvend mensje. Ik dacht: binnen die column voor De Pers.
Nico Dijkshoorn is dichter/schrijver/muzikant. Het liefst alle drie tegelijk. Op een podium.