Door: Erlijne Runia
Gepubliceerd: donderdag 8 november 2007 21:17
Update: donderdag 8 november 2007 21:26
Waarom zien de Chinese karakters eruit zoals ze eruitzien? De Zweedse sinologe Cecilia Lindqvist geeft het antwoord in haar boek Het Karakter van China.
‘Wij zullen zeker Taiwan overwinnen.’ Toen ik begin jaren zestig naar China kwam om Mandarijn te leren, moest ik dit dag in dag uit herhalen. ‘Wij gaan door met de klassecampagnes tegen onze vijanden.’ Dit soort zinnen was onderdeel van het typisch Chinese leersysteem. Ik leerde samen met mijn man twintig tekens per dag, vijf dagen in de week. Iedere zaterdag moesten we alle tekens herhalen die tot dan toe behandeld waren.
Met haar boek Het Karakter van Chinabrengt Cecilia Lindqvist een nieuwe manier van Chinees leren. Niet door het eindeloze herhalen dat in China gewoon is, maar door elk teken te voorzien van een historisch-archeologische context.
Toen Lindqvist voor het eerst met het Chinees in aanraking kwam, gebruikte haar docent al het eeuwenoude orakelschrift ter illustratie van de tekens. Dat schrift was teruggevonden op zogenaamde orakelbeenderen, schildpadschilden die na verhitting mysterieuze barsten vertoonden waarin een voorspelling werd gelezen. Die voorspelling werd vaak achteraf in het schild gekerfd. Dat schrift had meer nog dan het klassieke Chinees een beeldend karakter.
De Zweedse studeerde zelf kunstgeschiedenis en later algemene geschiedenis, en werd door haar brede interesse en bezieling al snel door het schrift gegrepen.
In China kwam ze erachter dat er naast de orakelbeenderen nog veel meer voorbeelden zijn die het beeldende karakter van het Mandarijn illustreren. Toen zijzelf eenmaal les gaf, begon ze, aangemoedigd door haar studenten, steeds meer archeologische en hedendaagse voorbeelden te verzamelen die de taal duidden. Een voor westerlingen onbegrijpelijk Chinees karakter kan zo herleid worden tot een begrijpelijke tekening.
‘We kunnen dit niet meer aan’, vertelden we aan onze lerares. ‘Mogen we misschien andere teksten lezen?’ Het vrouwtje nam haar vak erg serieus en zei dat ze de overheid om toestemming zou vragen. De volgende dag kwam ze uitgelaten terug en zei: ‘Nu gaan we verhalen lezen over mensen.’ Over een man die een schoenomtrek had gemaakt om op de markt schoenen te gaan kopen, bijvoorbeeld. Eenmaal op de markt aangekomen bleek hij zijn mal te zijn vergeten en besloot hij dat hij hierdoor geen schoenen kon kopen. Compleet debiel, maar in ieder geval niet politiek idioot.
Haar boek is niet alleen een geschiedenis van het Chinese schrift, maar ook een reis door herinneringen. Lindqvist zit vol verhalen en besloot die in haar boek te verwerken. ‘Eerst wilde ik het als proefschrift schrijven, maar ik realiseerde me dat het dan waarschijnlijk gelezen zou worden door maar vijftien mensen en daarna droevig zou eindigen op een plank.’
Dus schreef ze iets dat iedereen zou kunnen vatten. Vijftien jaar deed ze erover. Iedere keer dat ze in de media een bericht tegenkwam over opgravingen in China, vertrok ze om daar de archeologische rapporten en gebruiksvoorwerpen te kopen.
Ik zag er heel vreemd uit. Mijn haar was heel erg blond, mijn ogen groen en ik had een neus. Toch nam het kleine onderzoeksinstituut, waar ze geen buitenlanders gewend waren, me aan als studente van de gu qin, de Chinese luit. Zonder dat het culturele departement van China hier iets van wist, kreeg ik twee jaar lang lessen. En ik kon voor allerlei andere cultureel-historische vragen terecht bij het groepje onderzoekers dat daar werkzaam was. Ik kwam erachter dat de kleine man met de witte baard die iedere keer mijn lessen meeluisterde, een neef was van de laatste keizer. Hij wist alles, had dezelfde scholing gehad. In de tijd dat ik aan dat instituut studeerde, heb ik ontzettend veel geleerd. Het is de heftigste ervaring die ik in China opdeed.
Toen Lindqvist hoorde dat haar boek in China uit zou komen, was ze bang voor kritiek, omdat zij als buitenstaander het Chinees had willen duiden. ‘Maar die kritiek kwam niet, de wetenschappers waren vol lof.’
En dat niet alleen, er werd ongegeneerd geleend uit haar met zorg samengestelde boek. ‘Hele passages werden overgenomen zonder vermelding van mijn naam. Diefstal, maar eigenlijk’, vervolgt ze fluisterend, ‘eigenlijk vind ik dat niet erg. Het belangrijkste is dat het gebruikt wordt.’ Met haar methode wordt inmiddels geëxperimenteerd op een aantal Chinese scholen en haar boek wordt samen met een historisch en een literair boek een nieuwe lesmethode voor middelbare scholieren. Behoud van de Chinese cultuur vindt ze belangrijk.
‘Na de extreem communistische periode wilde iedereen dingen die het Westen had. De Chinezen vonden dat iedere stad een soort klein Manhattan moest zijn. Ze verloren veel cultureel erfgoed, maar het is nog niet te laat. Hun interesse is teruggekeerd.’