Door: Armand Snijders
Gepubliceerd: woensdag 28 november 2007 22:10
Update: woensdag 28 november 2007 22:21
De verdachten van de Surinaamse decembermoorden verschijnen morgen eindelijk voor de rechter. Er zijn echter nog meer mensen die de aandacht van justitie verdienen. Denk aan Ronnie Brunswijk.
Volgens Amnesty International valt het sinds een jaar of tien mee met de naleving van de mensenrechten in Suriname. Zeker in vergelijking met de roerige jaren tachtig, toen de militairen onder leiding van Dési Bouterse het voor het zeggen hadden. Maar tegelijk wordt felle kritiek geuit op de wijze waarop de misdrijven die gepleegd zijn door de militairen, maar ook door leden van het Junglecommando van Ronnie Brunswijk, worden onderzocht.
De slachting op 29 november 1986 in het vroegere Ndyuka-dorp Moiwana, in het oosten van Suriname, prijkt bovenaan de lijst van Amnesty en andere internationale organisaties. Zeker vijftig mannen, vrouwen en kinderen werden daarbij door militairen vermoord. Er is nooit onderzoek gedaan en de daders zijn dus ook niet gepakt.
Het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde op 15 juni 2005 unaniem dat Suriname de mensenrechten had geschonden van 130 inwoners, zowel slachtoffers als nabestaanden van Moiwana. Het beval Suriname een schadevergoeding te betalen. Ook werd geëist dat er een feitenonderzoek moet komen en dat de verantwoordelijken vervolgd en bestraft moeten worden, maar tot nu toe is daar niets van terechtgekomen. Wel bood president Venetiaan op 15 juli 2006 namens de regering de nabestaanden excuses aan en werd een monument voor de slachtoffers opgericht.
Ook de dood van politie-inspecteur Herman Gooding is nooit onderzocht. Hij deed onderzoek naar de Moiwana-moorden en werd op 5 augustus 1990 hoogstwaarschijnlijk vermoord door militairen. Toenmalig minister van Justitie en Politie Jules Ajodhia wist een maand na de moord niet meer te vertellen dan dat men bij het onderzoek op een blinde muur was gestuit, waarna de zaak in de toch al zo volle doofpot verdween.
Dit is slechts het topje van de ijsberg. Er zijn nog veel meer zaken die de geschiedenisboeken niet of nauwelijks hebben gehaald. Zo is nooit opheldering gebracht in tal van schendingen van mensenrechten door het Junglecommando, dat tijdens de binnenlandse oorlog van 1986 tot 1992, vreselijk heeft huisgehouden in het oosten van Suriname.
Getuigen hebben meermalen verteld over martelingen, afrekeningen en andere gruwelijkheden, maar deze kwesties krijgen al helemaal niet de aandacht van de autoriteiten. En dus mag de man die leiding gaf aan het Junglecommando en daarmee verantwoordelijk was voor de daden van zijn manschappen, Ronnie Brunswijk, ongestoord rond blijven lopen en zelfs zitting hebben in het parlement.
Dat heeft hij gemeen met zijn toenmalige opponent Bouterse. Met dit verschil dat Bouterse nu wel in het beklaagdenbankje komt te zitten en een levenslange gevangenisstraf boven zijn hoofd heeft hangen. Dési’s ‘pech’ is dat de internationale wereld, met Nederland voorop, opeenvolgende Surinaamse regeringen zwaar onder druk heeft gezet om de daders van de decembermoorden te vervolgen.
De nabestaanden van de andere moordpartijen kunnen alleen maar hopen dat hun zaken in de toekomst ook die buitenlandse aandacht krijgen.