Door: Marcel van Engelen
Gepubliceerd: vrijdag 25 september 2009 01:21
Update: vrijdag 25 september 2009 07:11
Buitenlandse hulp is dé oorzaak van armoede in Afrika. Een boodschap van de Zambiaanse econome Dambisa Moyo, aan de vooravond van het feestje ‘60 jaar ontwikkelingssamenwerking’.
De vergelijking is van Paul Collier, een oud-topman bij de Wereldbank: Dambisa Moyo is voor de ontwikkelingshulp wat Ayaan Hirsi Ali is voor de islam. ‘Dat vind ik een compliment, want Hirsi Ali is ongelofelijk mooi en slim’, zegt Moyo. ‘Verder hebben we weinig gemeen, behalve dat we vrouw zijn en Afrikaans.’
Er is meer. Beiden hebben een boodschap die nog niet zo lang geleden doorging voor onfatsoenlijk. Die van Moyo: stop met ontwikkelingshulp aan Afrika. Nee, ze is niet de eerste die het zegt. De laatste jaren verschenen talloze, vaak kritische boeken over het onderwerp. Maar behalve dat Moyo een opvallende verschijning is in het debat, verwoordde niemand de kritiek zo vaardig, en vooral zo scherp, als de econome uit Zambia.

Ontwikkelingshulp werkt niet? Het is nog veel erger. Onze hulp is dé oorzaak van veel rampspoed en hardnekkige armoede in Afrika, betoogt Moyo in haar boek Dead Aid. De Nederlandse vertaling verschijnt precies op het moment dat minister Bert Koenders zich opmaakt voor een grootse viering van ’60 jaar ontwikkelingssamenwerking’, dit weekend, met Máxima en Willem-Alexander, en met Jan Smit en Marco Borsato.
Dead Aid maakte van Moyo – ze groeide op in Zambia, studeerde economie aan Harvard, promoveerde in Oxford en werkte acht jaar voor Goldman Sachs – een internationale ster. Het laatste half jaar reist ze de wereld over voor lezingen, tv-optredens, een Time-uitverkiezing tot een van ’s werelds invloedrijkste personen en lunches met ministers.
Lovende Annan
‘Overal waar ik kom, bij IMF-bijeenkomsten, in donorlanden en in Afrika zelf, heerst consensus: er is iets mis met de hulp’, zegt Moyo. Ze ontving lovende woorden van voormalig VN-secretaris-generaal Kofi Annan en mag rekenen op de publieke steun van president Paul Kagame van Rwanda, die zijn land met redelijk succes wegleidt van hulp. Maar in de wereld van de ontwikkelingshulp oogst Moyo vooral weerwoord. ‘Haar boek is onzin’, zegt Lau Schulpen, ontwikkelingseconoom van de Radboud Universiteit in Nijmegen.
‘Hulp een bijzaak?’, smaalt Moyo. ‘Buitenlandse hulp – giften of leningen die worden kwijtgescholden – omvat in veel Afrikaanse landen het merendeel van het overheidsbudget. In het Westen sturen burgers regeringen naar huis als die belastinggeld verkwanselen. In Afrika zijn regeringen niet afhankelijk van hun burgers, maar van buitenlandse donors. Zij houden zich daarom meer bezig met het pamperen van die donors dan met het zorgen voor hun inwoners.’
Intussen voedt ontwikkelingshulp corruptie, creëert het bureaucratie, leidt het tot inflatie en een verslechterende concurrentiepositie, maar gaat de rijke wereld er gewoon mee door, omdat de hulpindustrie zichzelf graag in stand houdt. En omdat we geen maatregelen willen nemen die Afrika echt helpen, zoals het afschaffen van landbouwsubsidies.
Met ingehouden boosheid: ‘Een Nigeriaanse vriend van me zei: Afrika is voor de hulpindustrie wat Mars is voor NASA. Er gaan miljoenen dollars naartoe. Maar zoals niemand echt gelooft dat we ooit op Mars zullen wonen, gelooft niemand dat Afrika zich zal ontwikkelen.’
Morele plicht
Volgens haar belangrijkste opponent, de econoom Jeffrey Sachs, gebruikt Moyo cijfers die niet kloppen en laat ze gemakshalve alle successen weg. Je kunt niet alles langs de meetlat van economische groei leggen: groeiend alfabetisme en minder mensen die sterven aan aids zijn ook wat waard.
Schulpen: ‘Het is leuk dat Dead Aid is verschenen, want elke discussie is welkom. Maar zoals voorstanders van hulp open moeten staan voor kritiek, moeten tegenstanders openstaan voor de positieve kanten.’
Volgens Schulpen lijkt de algemene houding tegenover ontwikkelingshulp sceptischer geworden, maar dat moet komen door Geert Wilders, Rita Verdonk en de VVD, die de hulp min of meer willen afschaffen. Bij het publiek is de houding al jaren hetzelfde. ‘Mensen hebben al heel lang hun twijfels over de effectiviteit ervan, maar een meerderheid vindt het een morele plicht ermee door te gaan.’
Evengoed werd nooit zoveel en zo fundamenteel over ontwikkelingshulp gedebatteerd. Vrijdag was Moyo in Gent, waar ontwikkelingsorganisaties een bijeenkomst hielden onder de veelzeggende noemer ‘Is ontwikkelingshulp verantwoordelijk voor de armoede in Afrika?’. Behalve met Hirsi Ali is Moyo te vergelijken met Al Gore en zijn ongemakkelijke klimaatwaarheid: haar betoog is niet nieuw, maar ze weet een miljoenenpubliek te bereiken; je kunt haar aanvallen op fouten of omissies, maar ze heeft onmiskenbaar een punt.
Moyo is niet tegen elke vorm van ontwikkelingssamenwerking. Ze vindt hulp bij rampen een morele plicht en zit in het bestuur van enkele hulporganisaties. ‘Die kunnen goed werk doen. Maar verwacht niet dat het Afrika uit de armoede zal trekken. Wat daarvoor nodig is hebben andere ontwikkelingslanden laten zien. Een permanente stroom van free moneywerkt in elk geval niet.’
Ze keert zich vooral tegen de bulk van de hulp, die van regeringen aan regeringen. Afrikaanse landen zouden in plaats daarvan geld moeten lenen op de kapitaalmarkt. Qua handel moet het continent zich richten ‘op landen die onze landbouwproducten wel willen hebben’ (China) en hun markten niet afschermen met subsidies en importtarieven, zoals de EU en VS doen. Gelooft ze dat er iets zal veranderen? ‘Het verandert al. De traditionele donors hebben minder geld, zien hun werkloosheid oplopen en kampen met vergrijzing. China heeft Afrika nodig, en Afrika kan China goed gebruiken. Het is hypocriet van de EU en de VS om China te bekritiseren, terwijl zij zich nooit echt om Afrika hebben bekommerd.’
Zieligheidscultus
Dit is haar woede, die af en toe doorschemert: hou op Afrikanen niet serieus te nemen, ons zielig te vinden. ‘Nog altijd wonen er meer arme mensen in China of India dan in Afrika, maar op een of andere manier heeft niemand medelijden met hen.’
In haar boek staat dat het ‘hulpafhankelijkheidsmodel’ Afrika in ‘ eeuwig kinderlijke staat’ laat. Natuurlijk spelen er ook andere zaken als droogte en diamanten, waar om wordt gevochten. ‘Maar die dingen kun je niet veranderen. De hulp wel.’
Foto: Hollandse Hoogte
Hoog scoren met 0,8 procent van het bnp
Met muziek, debat en lezingen wordt morgen in Den Haag gevierd dat
Nederland zestig jaar geleden begon met Ontwikkelingssamenwerking. Op 3
oktober 1949 begonnen vier ambtenaren met een budget van 1,5 miljoen
gulden.
Inmiddels is dat opgelopen naar 0,8 procent van het bruto nationaal
product, waarmee Nederland internationaal hoog scoort. Door de recessie
is het budget voor 2010 wel gedaald: van een geraamde 5,3 naar 4,7
miljard euro. De helft ervan gaat naar Afrika. Het geld gaat
rechtstreeks naar regeringen, naar internationale organisaties als de
Wereldbank of naar clubs als Novib of Cordaid, die het werk uitvoeren.