Reageer
Door:
Leudalman, 19 mrt 2010 17:35
Alexander Hislop schreef er al over in zijn boek The Two Babylons:
Een ongehuwd priesterschap
MAAR DE GEEST ZEGT nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, door de huichelarij van leugensprekers, die in hun eigen geweten gebrandmerkt zijn, HET HUWELIJK VERBIEDEN,.." (1 Tim. 4:1-3).
In deze passage waarschuwt Paulus dat het afvallen van het ware geloof in latere tijden zal geschieden. "Dit hoeft niet noodzakelijkerwijze de laatste eeuwen van de wereld te betekenen," schrijft Adam Clarke in zijn beroemde commentaar, "maar de tijd volgend op die, waarin de kerk toen leefde." Feitelijk had dit verlaten van het geloof, zoals zij die de geschiedenis kennen, wel zullen weten, plaats in de eerste eeuwen.
De eerste christenen erkenden de aanbidding van heidense goden als aanbidding van duivels (1 Cor. 10:19,21). Daaruit volgt dat Paulus' waarschuwing omtrent leringen van duivels zeker kon wijzen op de leer van de heidense mysteries. Hij noemde in het bijzonder de leer van het "verbod te huwen". In de mysteriegodsdiensten sloeg deze leer niet op alle mensen. Het was een leerstelling van het priesterlijk celibaat. Zulke ongehuwde priesters, zo legt Hislop uit, waren leden van de hogere orden van het priesterschap van koningin Semiramis. "Vreemd als het lijken mag, toch kent de stem uit de oudheid aan de verdorven koningin de uitvinding van het priesterlijk celibaat toe, en dit in de meest strikte vorm".
Niet alle volkeren waarheen de mysteriegodsdienst zich verspreidde, eisten priesterlijk celibaat. In Egypte bijvoorbeeld waren de priesters vrij om te huwen. Maar "iedere geleerde weet dat toen de verering van Cybele, de Babylonische godin, in het heidense Rome werd geïntroduceerd, dit in de oorspronkelijke vorm gebeurde, met het priestercelibaat". In plaats van dat de leer die ‘verbood te huwen’ reinheid bevorderde, werden excessen gepleegd door de ongehuwde priesters van het heidense Rome, en wel zodanig, dat de senaat het nodig vond hen uit de Republiek te verbannen. Later, nadat het priestercelibaat in het pauselijke Rome was ingesteld, ontwikkelden zich gelijksoortige problemen. "Toen paus Paulus V trachtte de legale bordelen in de ‘Heilige Stad’ te verbieden, werkte de Romeinse Senaat de uitvoering van dit plan tegen op grond van het feit dat het bestaan van zulke plaatsen het enige middel was om de priesters te verhinderen hun vrouwen en dochters te verleiden."
Rome was in die dagen slechts in naam een heilige stad. Men schat, dat er in deze stad met een inwonertal van nog geen 100.000 zielen omtrent 6000 prostituees waren. De geschiedschrijvers vertellen ons dat alle kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders een minnares hadden en dat alle nonnenkloosters in de hoofdstad een slechte naam en faam hadden. Een visvijver in Rome, dicht bij een nonnenklooster gelegen, werd op bevel van Paus Gregorius geledigd. Op de bodem werden meer dan 6000 kinderschedels gevonden.
Kardinaal Petrus d'Ailly zei, dat hij het niet waagde de immoraliteit van de nonnenkloosters te beschrijven en dat "de sluier aannemen" eenvoudig een andere manier was om prostituee te worden. Schendingen waren zo veelvuldig in de negende eeuw, dat Theodorus Studites zelfs vrouwelijke dieren verbood op de landerijen van de kloosters! In het jaar 1477 werden nachtelijke danspartijen en orgieën aangericht in het katholieke klooster te Kercheim, die In de geschiedenis beschreven staan als erger dan die te zien waren in de publieke huizen van de prostitutie. Priesters raakten bekend als de ‘mannen van alle vrouwen.’
Albert de Luisterrijke, aartsbisschop van Hamburg, vermaande zijn priesters: "Si non caste, tamen caste." (Als je niet ingetogen kunt zijn, wees dan tenminste voorzichtig.) Een andere Duitse bisschop begon de priesters in zijn district een belasting op te leggen voor elke vrouw die zij er op na hielden en elk kind dat geboren werd. Hij ontdekte, dat er elfduizend vrouwen waren, die onderhouden werden door priesters van zijn diocees.
Er is in de Bijbel geen regel die eist dat een predikant ongehuwd moet zijn. De apostelen waren gehuwd. (1 Cor. 9:5) en een opziener moest "echtgenoot van één vrouw zijn" (1 Tim. 3:2). Zelfs de Katholieke Encyclopedie zegt: "Wij vinden in het Nieuwe Testament geen enkele aanwijzing voor een verplicht gesteld celibaat, noch voor de apostelen noch voor degenen die zij aanstelden." De leer die het huwelijk verbiedt, ontwikkelde zich gaandeweg binnen de Katholieke Kerk. Toen het celibaat voor het eerst werd geleerd, waren vele priesters gehuwd. Wel rees wel eens de vraag of een priester, wiens vrouw overleden was, opnieuw zou trouwen. Een regel, ingesteld op het concilie van Neo -Caesarea in 315 "verbood een priester een nieuw huwelijk aan te gaan op straffe van ontheffing uit het ambt". Later, "op een Romeins concilie, door Paus Siricius in 386 gehouden, werd een edict uitgevaardigd, dat priesters en diakenen verbood huwelijksgemeenschap met hun vrouw te hebben, en de paus nam maatregelen om het decreet in Spanje en andere delen van de christelijke wereld op te leggen."
In deze uiteenzettingen van de Katholieke Encyclopedie zal de aandachtige lezer woorden als ‘verbieden’ opmerken. Het woord ‘verbieden’ is hetzelfde woord dat de Bijbel gebruikt in de waarschuwing "verbieden te huwen" - maar in precies de tegengestelde betekenis! De Bijbel stelt dat ‘verbiedende te huwen’ een leerstelling van de duivel was. Al deze dingen in aanmerking nemend kunnen we zien, hoe Paulus' voorzeggingen in vervulling gingen" (vgl. 1 Tim. 4:1-3). Was er een afwijking van het oorspronkelijke geloof? Ja. Volgde het volk de heidense leerstellingen, de leerstellingen van duivels? Ja. Werd het priesters verboden om te huwen? Ja. Door dit opgedrongen celibaat eindigden vele priesters ermee hun "eigen geweten te brandmerken" en "leugens te spreken door huichelarij" door de onzedelijkheid waarin ze vervielen. De geschiedenis heeft de vervulling van elk deel van de profetie aangetoond!
De leerstelling die de priester verbiedt te huwen, ontmoette door de eeuwen heen vele moeilijkheden door de biecht. Het is gemakkelijk in te zien dat de gewoonte van meisjes en vrouwen om hun zwakheden en verlangens aan ongehuwde priesters te biechten, licht resulteerde in vele misbruiken. Een voormalig priester, Charles Chiniquy, die leefde in de tijd van Abraham Lincoln en hem persoonlijk kende, geeft een volledig verslag van de verdorvenheid in verband met de biecht, gedocumenteerd met feiten in zijn boek ‘The Priest, The Woman, and The Confessional’ (De priester, de vrouw, en de biecht).