Door: Arnold Karskens 
Gepubliceerd: woensdag 24 maart 2010 00:30
Update: woensdag 24 maart 2010 06:54
In de grensstreek van India en Birma strijdt het Naga-volk
voor onafhankelijkheid. ‘We worden de vrije mensen genoemd.’
Als een berggeit springt de jonge Naga Shingnya over
de losse rotsen naar de ‘geheime grot’. Onder een loodsteile klif trekt
hij de begroeiing weg en gunt ons een blik in het knekelhuis. Even waant
de bezoeker zich in een avonturenfilm van Indiana Jones. Veertig witte
schedels staren grijnzend naar het binnenvallende zonlicht. De Naga pakt
er twee vast, blaast er stof af en laat ze balanceren op zijn handen.

Decennialang verzamelden zijn voorvaderen de hoofden
van verslagen vijanden. Shingnya trekt een parallel met de huidige
strijd van de Naga’s. ‘Het bezit van de schedels geeft ons de kracht
tegen het Birmese en Indiase leger te vechten. De koppen worden
overgedragen van vader op zoon en symboliseren onze
onoverwinnelijkheid.’ Met een plof verdwijnen de koppen terug in de
grot.
Gids Inscha, een forse Naga met indo-mongoloïde
gelaatstrekken glundert. De oud-studentenleider voelt allerminst
schaamte over de woeste taferelen die zich eeuwenlang hebben afgespeeld
tussen de dorpen die in dit ruige heuvellandschap strategisch op de
toppen zijn gevestigd. De dalen waar de woest uitgedoste strijders
elkaar ontmoetten kleurden regelmatig rood. ‘Het maakt ons uniek en
gevreesd.’
Gandhi
Het laatste hoofd werd in de jaren zestig afgesneden
maar de oorlog bleef in dit afgelegen oostelijk deel van India. Niet
tussen de veertig stammen onderling maar tegen twee regeringen. Voor de
onafhankelijkheid van India op 15 augustus 1947 spraken
vertegenwoordigers van de Naga’s met Mahatma Gandhi. Hij zei hen: ‘We
zullen jullie nooit dwingen om deel uit te maken van India.’ Maar Gandhi
stierf en India’s eerste premier Jawaharlal Nehru hield zich niet aan
de toezegging. Het Indiase leger kwam en verbrandde dorpen. ‘Soms tot 20
maal toe’, verzekeren verschillende Naga’s.
Het gebied rond het grensdorp Noklak valt onder
Foreigners Protected Areas waarvoor buitenlanders speciale toestemming
nodig hebben. Onderweg passeren we slagbomen van wegblokkades van
Indiase militairen. Naar papieren vragen ze niet. ‘Ze kunnen je paspoort
toch niet lezen’, grapt Inscha.
’s Avonds bij het licht van een petroleumlamp klagen
twee afgevaardigden van een van de grootste Naga-stammen, de
Khiamniungan-stam die zo’n 300.000 leden telt, over de bezetting. ‘We
worden geregeerd met het geweer op ons gericht’, zegt een. Hun gebied is
verdeeld over twee landen: veertig dorpen liggen in India en 166 dorpen
in Birma.
De volgende ochtend wordt naar een smal pad gewezen
dat door dikke bosschages, langs afgronden en middels wankele bruggen
over kolkende riviertjes voert. Het gebied is zo ondoordringbaar dat de
Japanners tijdens de Tweede Wereldoorlog het meden. Het dorp waar we na
een half etmaal marcheren halt houden, heet Taingan en telt 39 huizen.
Het lijkt of de tijd heeft stilgestaan: alle hutten zijn opgebouwd uit
hout, bamboe en riet. Een week eerder zijn 25 bewoners door Birmese
militairen meegenomen voor dwangarbeid. De volgende ochtend komen ze
uitgeput terug. Een vrouw vertelt: ‘Voordat de hanen kraaiden begonnen
we met lopen. Per twee dragers moesten we een zak van honderd kilo rijst
vijf dagen lang sjouwen.’

In een hut waar midden op de moddervloer een houtvuur
brandt, worden legerbrieven getoond waarin eisen staan over het aantal
kippen, buffels of dwangarbeiders dat het dorp moet leveren. Een
dorpsoudste: ‘Vaak zit bij de brief een kogel ingesloten, om te
waarschuwen dat bij weigering iemand wordt doodgeschoten. Soms een stuk
houtskool als waarschuwing dat bij verzet het dorp in de as wordt
gelegd.’ Als ze niet aan de eisen kunnen voldoen zoeken bewoners
tijdelijk een schuilplaats in de bossen.
Eén geschilderd gebouw kent het gehucht, de kerk.
Samen met de Britten kwamen in de negentiende eeuw ook de zendelingen;
de Naga’s behoren tot de enige christelijke minderheidgroep in India en
Birma, zegt de voorganger, een plaatselijke Naga. Na de zondagsdienst
spreekt hij zijn bezorgdheid uit over de religieuze onderdrukking in
Birma. ‘Een Naga die een vervolgopleiding wil doen wordt gedwongen zich
te bekeren tot het boeddhisme, anders slaagt hij nooit voor het examen.’
Om Indiase en Birmese grenspatrouilles te ontwijken
vertrekken we vroeg, de volgende ochtend. ‘In het donker wagen ze zich
niet buiten hun kazernes, bang als ze zijn voor ons’, zegt een bewoner
die ons uitzwaait.
Het pad voert verder langs dorpen die alleen te voet
zijn te bereiken. De eerste berijdbare wegen vertonen diepe gaten door
achterstallig onderhoud. Opnieuw stoppen we bij een Indiase kazerne,
ditmaal aan de achterzijde.
‘Ogenblikje’, verontschuldigt Inscha zich. Even later
keert hij terug met een fles Officers choice whisky, gebietst voor vier
euro. ‘Hoe kun je dat kopen bij je vijand?’, vraag ik. Hij haalt zijn
schouders op: ‘Zijn ze nog ergens goed voor.’
Twee dagen later, in de stad Kohima, vertelt dr. N.
Venuh van de mensenrechtencommissie van Nagaland over de rechteloosheid
die heerst aan Indiase zijde. ‘Het dorp Oinam in de Manipur-deelstaat
werd in 1987 vernietigd. Mannen werden vermoord en vrouwen verkracht,
maar nog is de klacht niet door het hoogste rechtscollege in India
behandeld. Als ik naar een andere stad rijd, word ik gestopt en mijn
auto doorzocht. Het maakt allemaal deel uit van de psychologische
oorlogsvoering tegen de Naga’s.’
Kloof
In de stad Dimapur, waar auto’s en brommers
knetterend rondpuffen, spreekt Akum Longcharti, politicoloog in
conflictstudies, over een ‘kloof’ tussen hen die onafhankelijkheid
willen, vooral de oudere generatie, en zij die akkoord gaan met meer
autonomie, zoals erkenning van de taal en culturele vrijheid. Vooral
jongeren in de ontwikkelde woongebieden ontgaat het belang van een
gewapende vrijheidsstrijd. Naar schatting zijn daarbij zo’n 30.000
Naga’s de laatste 63 jaar gestorven, vooral in de jaren ‘60 en ‘70. ‘Er
is weinig discussie over de voor- en nadelen van de onafhankelijkheid.
Het is ook lastig, want een bijeenkomst met meer dan vijf personen kan
door de Indiase autoriteiten als een verboden bijeenkomst worden
bestempeld. Discussie zou het vredesproces helpen. Een dorpsbewoner kan
al tevreden zijn als hij niet langer wordt lastig gevallen door Indiase
militairen.’
We rijden verder, nu over asfalt, naar de grootste
rebellenbasis ‘Hebron’. Bij de ingang verklaart een bord ‘Vrijheid is
het geboorterecht van alle naties.’ Over de keurig aangelegde perkjes en
paden marcheren mannen in uniform met een willekeur aan wapens. De
diensttijd is vrijwillig maar bedraagt minimaal zes jaar. Volgens
majoor-generaal Phungthing Shimrang houdt zijn beweging, de NSCN-IM,
vijfduizend mannen en vrouwen onder de wapens.
‘Sinds 1997 is een staakt het vuren van kracht maar
rustig is het nooit geworden,’ zegt Shimrang. Honderden NSCN-leden maar
ook leden van twee andere Naga-groeperingen, de NNC en de NSCN-K, zijn
gedood. Vooral door leden van de paramilitaire Assam Rifles en met name
buiten de deelstaat Nagaland waar Naga’s een minderheid vormen en dus
zwakker staan. Maar ook onderlinge rivaliteit tussen de drie grootste
fracties kostte veel levens, want soms drijft de oude
koppensnellersmentaliteit weer boven.
Luitenant Ami Muinao (33) is overtuigd van het recht
op zelfbeschikking. Ze toont de epauletten op haar uniform waarop een
kruis staat. We zijn geen hindoe, boeddhist of moslim, wil ze er mee
zeggen. ‘We leven onder iemand anders macht in ons eigen land. Om
hiervan verlost te worden dien ik de natie. Op een dag zullen we vrij
zijn.’
Nederland en de Naga’s
Nederland speelt een facilitaire rol in het zoeken
naar vrede bij een van de oudste conflicten in India. Sinds het
officiële staakt-het-vuren in 1997 vergaderden al tientallen malen
afgevaardigden van de opstandelingengroep, de links-christelijke
Nationaal-Socialistische Raad voor Nagalim-Isak-Muivah (NSCN-IM) en de
Indiase regering in ons land. Zo werd in 2001 in hotel Barbizon in
Amsterdam ondertekend dat India het recht van de geschiedenis van de
Naga’s erkent.
Hoofdonderhandelaar NSCN-secretaris-generaal
Thuingaleng Muivah vertelde dit voorjaar in een hotel in Scheveningen
dat er veel ‘mockery’-tegenwerking is door India. ‘Iedere nieuwe
regering wil bij de onderhandelingen terug naar het begin.’ Recent heeft
de NSCN een dertig punten tellend eisenpakket op tafel gelegd. Daarvan
is onafhankelijkheid voor de Naga’s de belangrijkste. Maar juist op dit
punt wil India geen concessies doen.
Muivah wil de eis niet loslaten: ‘Naga’s zijn trots.
Ze willen niet dat buitenlanders hun meesters zijn. We worden de vrije
mensen genoemd.’ Desnoods keren de strijders terug naar de jungle,
waarschuwt hij. ‘We zijn betere vechters dan de Nepalese Gurkha’s.’
Het Haagse ministerie van Buitenlandse Zaken doet
geen mededelingen. ’Het gebeurt allemaal onder de radar. We staan het
toe en bezorgen de deelnemers de benodigde visa.’ Momenteel zijn de
gesprekken verplaatst naar New Delhi. ‘We leven onder iemand anders
macht in ons eigen land.’
Vergeten conflicten
Ze woeden in ver afgelegen gebieden waar je
soms alleen te voet kan komen. Of juist zo dichtbij dat je ze over het
hoofd ziet. Ze zijn vaak onoverzichtelijk door onderlinge rivaliteit. Ze
duren soms al decennia lang en de aandacht is verslapt. Ze zijn niet
bloedig genoeg. Ze missen strategische en economische importantie. Er
zijn geen Amerikaans/Britse belangen mee gemoeid, dus de grote media
blijven er doorgaans weg.
Maar voor De Pers bezoekt oorlogsverslaggever Arnold
Karskens in 2010 ‘onbekende en vergeten conflicten’. Dit jaar berichtte
hij al over de Houthi-opstand in Jemen, de oorlog in Brussel, het
conflict in Kasjmir en de opstand van de Naga’s in India.
* Uw suggesties blijven welkom
op:
vergetenoorlog@depers.nl