Door: Joost van Tilburg
Gepubliceerd: dinsdag 13 november 2007 22:20
Update: woensdag 14 november 2007 09:55
Het is twintig jaar geleden dat zanger Cornelis Vreeswijk overleed. In Nederland kent men alleen De Nozem en de Non, maar in Zweden is zijn status niet minder dan die van volksheld. ‘Hij staat hier in hetzelfde rijtje als Jacques Brel en Bob Dylan. ’
12 november 1987 was een zwarte dag voor Zweden. De vijftigjarige, in IJmuiden geboren Cornelis Vreeswijk stierf aan leverkanker en daarmee overleed een van de grootste zangers en dichters die het Scandinavische land ooit had gekend. Heel Zweden was kapot, iedereen voelde mee. De voorpagina’s van alle grote kranten waren paginagroot gewijd aan de dood van Cornelis, de begrafenis was live te volgen via de televisie, en langs de weg stonden zoveel mensen dat het wel leek of er een koning naar zijn laatste rustplaats werd gebracht.
‘De mensen in Zweden hielden en houden echt van Cornelis,’ vertelt Mats Lindqvist, hoofd van het Cornelis Vreeswijkmuseum in Stockholm. ‘Vanaf zijn eerste album Ballader och oförskämdheter (Ballades en onbeschaamdheden, red.) was Vreeswijk al populair bij de Zweden. Hij deed iets wat niemand tevoren ooit had gedaan. Zijn taal was direct, sarcastisch en humoristisch en hij zong over bijvoorbeeld seks en prostituees, onderwerpen die tot dan taboe waren.’
Een persoon die dicht bij Vreeswijk stond, was de 67-jarige Silas Bakström, die zijn laatste drie platen produceerde. Bakstrom zag Vreeswijk nog de nacht voordat de troubadour stierf, toen hij hem in het ziekenhuis bezocht. ‘Hoewel ik hem sinds 1968, toen ik voor het eerst zijn platen produceerde, heb meegemaakt ,kan ik hem toch niet echt een vriend noemen. Cornelis liet mensen niet dichtbij komen. Hij was een loner,’ herinnert de huidige voorzitter van het Cornelis Vreeswijk Gezelschap zich. ’Soms was Cornelis op een feest, maar dan deed hij helemaal niet mee aan de gezelligheid. In plaats daarvan zei hij helemaal niets en was hij anderen aan het observeren, keek hoe ze met elkaar praatten en lachten. En ondertussen was hij dan bezig met een nieuwe tekst.’
In Nederland heeft Cornelis Vreeswijk, die zichzelf altijd met een gitaar begeleidde, nooit echt de waardering gekregen waarop hij wel hoopte. Op zijn hitje De Nozem en de Non na, heeft hij geen grote successen gekend in zijn geboorteland. Hij had hier de reputatie van een grapjas, terwijl de Zweden hem meer zien als de intellectuele taalkunstenaar die hij wilde zijn. ‘Hij vond zelf ook wel dat zijn Nederlandse teksten niet zo goed waren als zijn Zweedse. In het Zweeds was Vreeswijk echt slim, hij toverde met taal en schreef nooit een woord teveel,’ zegt Lindqvist over de aantrekkingskracht van Vreeswijks muziek.
‘De reden dat Cornelis door de jaren heen populair is gebleven, is omdat hij het opnam voor de kleine man, een onderwerp dat elke generatie aanspreekt. Hij is door zijn tijdloze teksten meer levend dan ooit tevoren.’
Dat Vreeswijk zelfs twintig jaar na zijn dood nog populair is in Zweden, is onbetwist. Hij heeft een eigen museum, een eigen stichting, een eigen park, een standbeeld, een vereniging met bijna tweeduizend leden, een cd-verkoop die nog steeds goed loopt, en jaarlijks wordt er een herinneringsconcert gehouden, waar een traan mag worden gelaten en dat altijd tot de nok toe is uitverkocht.
Maar zijn populariteit heeft Vreeswijk niet alleen te danken aan zijn literaire kwaliteiten. In Zweden is hij een cultfiguur. De zanger was de kwajongen van Zweden die met zijn capriolen keer op keer de krantenkoppen haalde. Vreeswijk stond tot het eind van zijn leven bekend als een alcoholist, een drugsgebruiker én een belastingontduiker, iets dat zwaar weegt in Zweden. Hoewel hij miljoenen platen verkocht, was Vreeswijk bij zijn dood straatarm en had zelfs een schuld van een miljoen kroon, ongeveer honderdduizend euro. Een schuld trouwens die met gemak is terugbetaald door de na zijn dood verkochte cd’s.
Bakström was het die de laatste plaat met Cornelis Vreeswijk opnam, in de laatste drie maanden van zijn leven. Dat ging goed, maar Bakström kan zich ook lastigere dagen voor de geest halen. ’Als Cornelis nuchter was, was het een plezier om met hem te werken, maar als hij dronken was, werd het opeens een heel ander verhaal. Maar ik hield van de liedjes die hij maakte. Het was fantastisch om te werken met een van de grootste dichters die we ooit hebben gehad. Maar op de een of andere manier had Cornelis de aanleg om moeilijk te zijn.’
Ondanks de wat moeilijkere tijden denkt Bakström met een warm hart terug aan Herr C, zoals hij Vreeswijk noemde. ’Twaalf dagen voor zijn dood is Cornelis nog naar Nederland gereisd om afscheid te nemen van zijn moeder. Toen hij terugkwam, had hij een fles Bols voor me meegenomen. Elk jaar op zijn sterfdag neem ik een slokje uit die fles. Om nog even terug te denken aan Cornelis.’
Foto: Paul Levitton/Hollandse Hoogte