Door: Arjan Terpstra
Gepubliceerd: dinsdag 13 november 2007 22:16
Update: dinsdag 13 november 2007 22:22
Meten is weten, dacht de Utrechtse hoogleraar kunstgeschiedenis Willem Vogelsang. Kunst laat zich kennen met een rationele benadering. Of toch niet?
Er is iets vreemds aan de beroemde Venus van Botticelli, die vanaf de zee op een schelp naar ons toe wordt geblazen. Wie haar elegante houding op het droge probeert te kopiëren, valt onmiddellijk om. De reden: haar standbeen staat niet in een lijn onder haar hals maar onder haar rechterschouder, waardoor een normaal mens onherroepelijk ter aarde stort. En toch: het schilderij klopt volkomen en wordt terecht als hoogtepunt van de kunstgeschiedenis gezien.
Hoe deed die Botticelli dat? Hoe krijgt een schilder het voor elkaar dat we geloven dat de Venus ‘klopt’, terwijl dat aantoonbaar niet zo is?
Vormanalyse
Dit soort vragen waren voor de hoogleraar Willem Vogelsang (1875 - 1954) in 1924 aanleiding een collegereeks te starten die hij De Evolutie van de Compositie noemde. Vogelsang was de eerste hoogleraar kunstgeschiedenis in Utrecht, in een tijd dat de wetenschappelijke studie van de kunsten nog in de kinderschoenen stond. Om die te ontgroeien werd een verwetenschappelijking van het vak voorgestaan. Esthetiek en historische context werden even terzijde geschoven, de rationele ‘vormanalyse’ kwam voorop te staan. Hoe zet de schilder zijn compositie op? En hoe ontstaat uiteindelijk op een tweedimensionaal vlak dat wonder: de driedimensionale illusie?
Wiskundig perspectief
Hoe die colleges eruit hebben gezien, is te zien in het Centraal Museum in Utrecht, waar aan de lessen van Vogelsang een expositie is gewijd. Zijn assistent Piet Swillens (1890 - 1963) tekende tientallen vellen vol met voorbeelden, aan de hand waarvan werd onderwezen. Daarop zijn bijvoorbeeld twaalf plafondschilderingen in koepels te zien, of vijfentwintig keer een Sint Sebastiaan, gekopieerd van bekende schilderijen. Andere tekeningen zijn constructietekeningen van beroemde werken. Het Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw van Jan van Eyck wordt bijvoorbeeld ontleed door de spreekwoordelijke camera een slag te draaien en met witte stippellijnen te laten zien wat er in het perspectief niet klopt: de kamer is nogal scheef.
Vogelsang was met zijn methode en inzichten niet de eerste, noch de enige. Ten tijde van de colleges gingen meer mensen aan de slag met de rationele benadering, en meer dan eens sloegen zij daarbij door. Zo leek de wiskunde een goede hulpwetenschap voor de kunsthistoricus te zijn, waardoor al snel een wereld van assenkruizenstelsels op de kunst werd losgelaten waar Botticelli zich blauw om had gelachen. Schilderijen werden met zo’n hoge abstractiegraad in schema’s omschreven, dat alleen de grootste raketgeleerden de originele schilderijen erin herkenden.
Zo bezien is Vogelsang een gematigd figuur geweest, maar wel een die in een grote valkuil stapte. De rationele verklaring had haar grenzen; het wonder van de schilderkunst bleek toch ook in de soms ongrijpbare esthetiek en context te liggen.