Door: Kustaw Bessems / Femke van Wiggen
Gepubliceerd: zondag 2 december 2007 23:56
Update: zondag 2 december 2007 23:57
Sooreh Hera overweegt al haar werk terug te trekken uit de expositie 7up in het Haags Gemeentemuseum. Ze is sinds de commotie rond haar kunstwerk over islam en homoseksualiteit telefonisch bedreigd, zegt ze.
Sinds het Gemeentemuseum Den Haag een draai van 180 graden maakte en besloot een van haar kunstwerken waar het eerst nog trots op was, te weren, zijn die telefoontjes niet minder geworden.
Het museum zegt enkele werken van Hera toch niet tentoon te stellen, omdat ze ‘als beledigend worden ervaren in bepaalde groepen van de samenleving’. Ook wil het museum niet als politiek forum ‘misbruikt’ worden.
Volgens Hera is deze argumentatie zo kwetsend, dat ze overweegt al haar werken terug te trekken. ’Dit is censuur. De enige conclusie die ik kan trekken is dat Allah heel groot is en dat in Nederland de angst regeert.’
De gewraakte foto uit de serie Adam en Ewald van de Iraanse kunstenares toont twee homoseksuele mannen met maskers van Mohammed en diens schoonzoon Ali. Ook de video Allah o gaybar zal niet meer te zien zijn op de tentoonstelling 7up, die op 15 december opent. De video is inmiddels ook van YouTube verwijderd.
De beslissing kwam na een publicatie over de tentoonstelling in deze krant. Dit weekend verklaarde museumdirecteur Wim van Krimpen in het NOS Journaal en op Radio 1: ‘Wij hangen in het museum geen dingen op die bepaalde mensen beledigen.’ En: ‘De intentie van deze foto vertrouw ik niet. Die is hoofdzakelijk bedoeld om aandacht te trekken en dan op een manier die mij niet bevalt. (...) Uitlokking.’
De motivatie voor zijn beslissing is opmerkelijk, aangezien Van Krimpen woensdag nog zei dat hij de gevoeligheid van het onderwerp ‘geen probleem’ vond. ‘Ik ben museumdirecteur. We doen wel meer met kunst en politiek.’ Als voorbeeld noemde hij een werk over de opdeling van Bagdad.
Volgens Hera is Van Krimpen niet zomaar van mening veranderd. ‘Het museum is gezwicht onder druk van de moslimgemeenschap.’ Hera zegt dat een voorlichtster van het museum haar donderdag belde: ‘Ze werden platgebeld door boze moslims en waren ook bedreigd. Mij werd verzocht niet meer met de pers te praten zonder met het museum te overleggen. Ik vind het heel erg dat het museum niet open is over waarom het mijn werk opeens niet exposeert. Die motivatie is heel belangrijk.’
Op islamitische internetfora verschenen oproepen om het museum onder druk te zetten, bijvoorbeeld met telefoontjes. Van Krimpen wil De Pers niet meer te woord staan om zijn ommezwaai toe te lichten, maar volgens voorlichtster Laura Stamps is het museum niet overspoeld met boze reacties. ‘We zijn platgebeld door media en door een enkele moslim. Bij het museum zijn geen dreigementen binnengekomen. Hoe dat voor de kunstenares is, weet ik niet.’
Volgens het Haagse GroenLinks-raadslid David Rietveld was de expositie het gesprek van de dag op het Haagse gemeentehuis en gingen daar stemmen op om het museum in te tomen. De fractie van de Islam Democraten wilde de wethouder verantwoordelijk houden. Stamps erkent dat het museum contact heeft gehad met de gemeente, maar wil over de inhoud daarvan niets kwijt.
Van Krimpen zei in het NOS Journaalde foto’s misschien wel te willen kopen, om ze over tien jaar te exposeren, als volgens hem de ‘nu ongepaste’ lading er af is. Hera: ‘Ik ben benaderd door een ander museum, dus dat wacht ik liever af.’

| ‘Een goed kunstwerk moet prikkelen, anders kun je iemand niet beïnvloeden.’ Sooreh Hera
Kunstenares Sooreh Hera vertelt haar verhaal
Haar werk zou provoceren en onnodig beledigen en wordt
daarom toch niet getoond in het Haags Gemeentemuseum. De Iraanse Sooreh
Hera stemt het vooral verdrietig: ‘Moet ik dan maar bloemetjes
fotograferen?’
Ze weet niet beter of vrienden waarschuwen haar al haar halve leven.
Kijk nou uit met wat je doet, ga niet te ver. Haar antwoord is altijd:
dit is wat ik doe. ‘Ik weet best dat een glamoureuze foto van een mooie
vrouw het commercieel veel beter doet dan wat ik maak’, zegt ze met een
ontwapenende lach, ‘maar ik laat me niet verleiden.’
Die lach verstomt als de achterliggende betekenis van die simpele
opmerking weer eens tot haar doordringt: haar video Alla o gaybar en
een foto uit de reeks Adam en Ewald waarop twee homoseksuele mannen met
maskers van Mohammed en schoonzoon Ali te zien zijn, worden geweerd van
een tentoonstelling waar ze geen halve week geleden nog gewoon te zien
zouden zijn.
‘Ik weet dat ik gevoelige onderwerpen aansnijd’, zegt de aangeslagen
Sooreh Hera met ingehouden emotie. Het is een kleine, frêle vrouw die
grote statements maakt. ‘Maar het is niet mijn doel te provoceren of te
shockeren. Een goed kunstwerk moet prikkelen, anders kun je iemand niet
beïnvloeden. Als we als kunstenaar braaf moeten zijn, zal er nooit iets
veranderen. En er zullen altijd dingen moeten veranderen.’
Het ergste van het hele verhaal vindt ze dat museumdirecteur Wim van
Krimpen in het NOS-Journaal zei haar intenties te wantrouwen. Dat doet
domweg pijn. ‘Waarom doet hij dat? Mijn boodschap is altijd duidelijk
geweest. Moet ik dan voortaan mijn mond houden en bloemetjes gaan
schilderen? Moet ik dan het dubbelleven gaan leiden dat iedereen in
Iran heeft?’
Als ze in haar werk iets aankaart, is het wel de hypocrisie binnen
religies. Die kent ze maar al te goed, benadrukt Hera keer op keer. ‘Ik
ben erin opgevoed. Ik weet hoe de ziel van de mensen kapotgemaakt kan
worden. Waar ik vandaan kom, worden mensen opgehangen omdat ze
homoseksueel zijn.’
Sooreh Hera werd 34 jaar geleden geboren in de Iraanse stad Teheran,
in een gezin met meerdere zussen en broers dat naar eigen zeggen
‘religieus genoeg’ was. Als kind geloof je in de God van je ouders,
zegt ze. ‘Ik was 6 of 7 jaar toen in Iran de revolutie plaatsvond.
Vanaf dat moment was religie hip. Zelfs linkse mensen begonnen een
hoofddoek te dragen, ik was trots op mijn minirokje met een hoofddoek
erboven.’
Verboden vruchten
Dat bleef zo tot haar 12e, 13e. ‘Toen ging ik op zoek naar wat ik
eigenlijk zelf wilde. Ik zag de kans om me heen te kijken en begon
westerse literatuur te lezen, vaak in Iran verboden literatuur, met het
risico gearresteerd of van school verwijderd te worden. Het waren
verboden vruchten. Dat risico was het waard, want ik zag opeens hele
andere manieren van leven.’
Thuis werd de tweedeling tussen de gelovigen en ongelovigen pijnlijk
zichtbaar. De familie Hera had twee aparte kasten voor servies. ‘In de
ene kast stonden de borden voor de gelovigen, in de andere die voor de
ongelovigen.’
Hera begint nerveus te giechelen. ‘Het is heel erg, maar de
ongelovige familie was vies. Van mijn bord wilde niemand eten. Mijn
bord stond in die andere kast.’ Intussen doorliep Hera haar middelbare
school en ging ze vormgeving studeren in Teheran – tegen de
uitdrukkelijke wens van haar familie in.
Ze weet als geen ander wat het is om in een hoek gedrukt te worden,
zegt ze, want ze heeft het toen al meegemaakt. ‘Ik ben weggegaan uit
Iran omdat het niet meer veilig was. Ik heb daar exposities gehad en
dichtbundels gepubliceerd. Mijn laatste dichtbundel werd verboden,
omdat die over een seksuele liefdesrelatie van een vrouw met God ging.
In de islamitische wereld mag je als vrouw absoluut geen erotische
gevoelens hebben. De pijn dat niet te mogen, wilde ik aankaarten.’
Het gevolg? ‘Ik liep gevaar dus moest weg. Ik kreeg dreigbrieven. Ik
kreeg er genoeg van om in angst te leven.’ Meer wil ze niet over deze
periode kwijt, omdat ze haar familie wil beschermen. ‘Ik hoop dat ze
ooit kunnen respecteren hoe ik denk en wat ik doe. Want ik hou van ze,
ook al zijn we heel anders.’
Uiteindelijk kwam Hera zeven jaar geleden naar Nederland in de hoop
hier de vrijheid te vinden waar ze zo naar op zoek was. ‘Mijn
moederland’, noemt ze Nederland vol liefde. ‘Ik heb me nooit Iraanse
gevoeld. Hier heb ik in ieder geval het recht om anders te denken, in
Iran was ik een ongelovige hond zonder rechten.’
Haar grootste angst is dat de geschiedenis zich herhaalt. Na de
commotie over de beelden met de maskers heeft ze weer de nodige
dreigtelefoontjes en sms'en ontvangen. Eerder weigerden galeries haar
video Alla o Gaybar al omdat die ‘te gevaarlijk’ zou zijn. Hera: ‘Ik
hoopte hier te kunnen doen wat in Iran niet kon. Maar nu mijn werk hier
ook niet wordt getoond, zakt de moed me in de schoenen. Het lijkt wel
een boze droom.’
Hoofddoek als moordwapen
Desondanks blijft ze strijdvaardig, misschien nog wel meer dan ooit.
‘Ik zal mijn boodschap nooit aanpassen aan wat anderen willen. Ik
weiger opgesloten te worden, ik ben fotograaf, ik moet tussen mensen
zijn. Mijn volgende werk gaat over de hoofddoek als moordwapen.
Misschien dat ik zelf maar een boerka moet gaan dragen, dan ben ik
lekker onherkenbaar. Als de boerka niet verboden wordt.’