Gepubliceerd: maandag 24 maart 2008 21:35
Update: maandag 24 maart 2008 21:36
Ken je dat gevoel? Dat je wakker wordt in een trein, in een heel ander land en je vraagt je af waar je bent. Dat gevoel heeft Chris Dudok al zijn hele leven. Of, zoals hij zelf als kind, spelend op het erf van zijn grootvaders boerderij, al beseft: hij was er wel, maar hij was er niet. Het is het alom aanwezige thema in Otto de Kats (pseudoniem van Jan Geurt Gaarlandt) nieuwe roman Julia: Chris Dudok leeft, maar niet zijn leven.
Dat hij zichzelf aan het begin van Julia van het leven berooft, is daarom amper betreurenswaardig.
De jonge Dudok is zoon van een fabrikant en voorbestemd ooit de machinefabriek van zijn vader over te nemen. Een lot dat hem als het zwaard van Damokles boven het hoofd hangt. Na zijn studie gaat hij daarom naar het Duitse Lübeck, officieel om een kijkje te nemen in de fabriek daar, officieus om een laatste poging te doen zijn lot te ontlopen. Daar, in die fabriek, in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog losbarst, ontmoet hij de vrouw van zijn leven: de jonge ingenieur Julia Bender, zus van een toneelspeler die wordt opgepakt omdat hij SA-ers beschimpt, vermeend communiste.
De Kat begint zijn hoofdstukken veelal in die laatste uren voor Dudok de hand aan zichzelf slaat, vol herinneringen aan wat eens was.
Terwijl De Kat heel duidelijk de verwachtingen van de lezer bepaalt, wij weten dat we er achter gaan komen wat er met Julia is gebeurd, vloeien heden en verleden moeiteloos in elkaar over. Want al Dudoks gedachten worden beheerst door dat ene jaar in Lübeck, het jaar van Julia, die al net zo ongrijpbaar zal blijken als zijn toenmalige droom de fabriek te ontlopen.
De Kat beschrijft Dudoks herinneringen aan die liefde eenvoudig, maar ontroerend: het Duitsland van 1938 is een bij voorbaat verloren omgeving voor hun liefde en Dudok is een man die zichzelf die ene fout - hij gehoorzaamde Julia en ging voor de oorlog terug naar Nederland- nooit zal vergeven. Met dat verraad ontneemt Dudok zich het recht op een eigen leven en dus zit hij het zijne uit, trouwt een Hollands meisje en misgunt haar een kind.
‘Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr, wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben’, schrijft Dudok op een papiertje, vlak voor hij sterft. Wie die tekst leest, moet gissen naar het waarom. Maar de regels komen uit Rainer Maria Rilke’s gedicht Herbsttag, een gedicht dat Julia in de zomer van 1938 ook moet hebben gelezen, want ze laat Das Buch der Bilder, de bundel met het bewuste gedicht, op een terras liggen.
Dudoks zelfmoord is niet zijn dood: Chris Dudok stierf toen hij met de trein Lübeck en Julia achter zich liet. Dat De Kat dat in een bijna achteloos, maar minutieus proza weet over te brengen, is een hele prestatie. Julia is helemaal af.