Door: Judith Hornman
Gepubliceerd: woensdag 11 juni 2008 23:30
Update: woensdag 11 juni 2008 23:39
Het allereerste Graphic Design Museum ter wereld opende gister in Breda. Erik Kessels bijt als conservator van de European Championship of Graphic Design het spits af met een modern elftal van grafische vormgevers.
Je kunt je eigen bloed horen suizen, zo stil is het zondagmiddag half drie in Breda. Na een vertwijfelde wandeling van vijf minuten (Hoor ik het luchtalarm niet? Is er een evacuatie?) komt de geruststelling in vorm van de drukte in het splinternieuwe Museum for Graphic Design. Het historische pand De Beyerd is grondig verbouwd en uitgebreid door Hans van Heeswijk architecten, een moderne vleugel omhelst het oudere gedeelte. Het is er een halve week voor de opening net een bijenkorf. Directeur Peter Rijntjes rent rond in spijkerbroek, overal liggen tape, snoeren en tentoon te stellen objecten. De stoeltjes voor in het café staan nog opgestapeld in de hal.
Het drukst is het bij de tijdelijke tentoonstelling European Championship of Graphic Design, waar medeoprichter van internationaal gelauwerd reclamebureau Erik Kessels samen met ontwerpers uit heel Europa een modern grafisch elftal vormt. Kessels is daarbij zowel organisator, scheidsrechter als middenvelder: als conservator van de tentoonstelling heeft hij uit zijn internationale netwerk van vormgevers een uitgekiende selectie gemaakt om samen, ter plekke in het museum, een expositie te maken. De enige Nederlandse speler in dit elftal: KesselsKramer.
Het idee erachter is even sympathiek als zakelijk slim: omdat ontwerpers nogal de neiging hebben dagenlang achter hun computer te zitten zonder contact te hebben met de buitenwereld, leek het Kessels een goed plan om ze fysiek samen te brengen. Zo kunnen de verschillende exposanten, met hun verschillende achtergronden, ervaringen en technieken elkaar inspireren en bezoekers een goed beeld krijgen van wat er op Europees niveau speelt. Kessels verklaart: ‘De mens achter het werk vind ik nog belangrijker dan het werk zelf. Kijk, iets kan nog zo mooi zijn, maar als de maker een klootzak is, dan kan ik er niks mee. Het moet wel gezellig zijn.’ De Brit Anthony Burrill, druk in de weer met een kleurige stapel blokken, beaamt dit. ‘Ik ken Erik al jaren, we hebben nog samen aan de ik Ben-campagne gewerkt. Natuurlijk wilde ik hier aan meewerken. Als hij iets doet, wordt het goed.’
Langs de wanden zijn witte tribunes gebouwd van een halve meter hoog. Kessels loopt rond en geeft aanwijzingen, onderwijl op de voet gevolgd door een cameraploeg: volgend jaar verschijnt er een documentaire over hem. Ook al lijkt iedereen in de zaal vooral druk bezig met het eigen werk, de teamspirit is er wel. Er wordt gekletst en met plakband gegooid. Het Belgische collectief Cum* probeert een zeefdruk op een plankje met ijzerdraad op te hangen, de Zwitsers van HappyPets zitten in een grote stembus en plakken verschillende technieken over elkaar heen. De Duitser Fons Hickman heeft een soort grafische biechtstoelen. ‘We zijn vanochtend heel vroeg begonnen met de opbouw, al om negen uur’, vertelt Kessels trots. Eh, vroeg? ‘Ja, nou ja, gister hebben we het met z’n allen nogal laat gemaakt.’