Door: Robert Vuijsje
Gepubliceerd: vrijdag 13 maart 2009 00:15
Update: vrijdag 13 maart 2009 17:47
Vroeger speelde Herman Koch in Jiskefet. Nu schreef hij met Het Diner een bestseller. ‘Het succes van dit boek heeft een dynamiek waar ik geen vat op heb. Ik kan het niet afremmen. Misschien alleen als ik een fascistische uitspraak doe.’
Die gesprekken gaan nu dus als volgt. Michiel Romeyn zegt: ‘Ik ben ontzettend jaloers op je. Weet je wel hoe jaloers ik ben?’
Ze kennen elkaar van de lagere school, Herman Koch is bevriend met Michiel Romeyn sinds hij zeven is. Na Jiskefet heeft Michiel een paar kunstexposities gemaakt, tijdens de Amerikaanse verkiezingen deed hij op internet Oboema-tv en binnenkort wordt een dichtbundel van Oboema gepubliceerd. Herman schreef Het Diner, waarvan volgende week de tiende druk verschijnt. Dat zijn 127.000 exemplaren. Het boek is verkocht aan Duitsland en Italië. Met Spanje, Israël en de Engelstalige landen worden gesprekken gevoerd. Ook is er sprake van ‘Hollywood’.
Daarna zegt Michiel Romeyn: ‘Hoeveel boeken heb je nu weer verkocht? Wat moet ik nou? Jij bent wel heel erg een sprintje aan het trekken.’ En hij sluit nog een weddenschap af op wanneer de volgende 100.000 boeken worden verkocht.
Herman Koch: ‘Dan zeg ik tegen Michiel: je begrijpt toch wel dat ik voorlopig geen tijd voor je heb, ik heb belangrijkere dingen te doen. In de straat waar ik woon zeg ik: houden jullie een parkeerplaats vrij voor de schrijver? En dan hebben ze nog niet eens mijn nieuwe auto gezien.’ (De nieuwe auto, hij durft het bijna niet te zeggen, is een Jaguar XF 3.0 liter V6. Die is zo nieuw dat hij pas in maart in de autobladen wordt gerecenseerd. Nu rijdt hij nog in een Jeep Cherokee, ‘het boodschappenwagentje van Bloemendaal’.)
Het was zo’n lunch waar niemand water drinkt, op oudejaarsdag, drie jaar geleden, in Barcelona. Daar heeft hij een paar jaar gewoond, zijn vrouw komt er vandaan. Ze lunchten op een terras, met een man of vijftien. Het plan was om in de eerste week van het nieuwe jaar te beginnen aan een nieuwe roman, hij had al een duidelijk idee hoe die moest worden. Maar tijdens de lunch gebeurde het. In dertig seconden bedacht Herman Koch de titel, de opbouw en de eerste zin van een ander boek.
‘De hele tafel, zoals we daar zaten, dat was het boek. Ik moest alleen nog even het verhaal erbij schrijven. Na de lunch gingen we naar de bioscoop, naar Match Point, van Woody Allen. In die film zit een moord. Toen werd het nog duidelijker: de oppervlakkige gesprekken aan die tafel krijgen een andere lading.’
Heeft u vaker dat soort ideeën?
‘Ik heb wel eens ideeën, maar niet zo duidelijk als deze. Ik wist: dit moet ik meteen gaan schrijven.’
De ouders van Herman Koch woonden in Arnhem. Voordat de oorlog begon, was zijn vader voorman in een fietsenfabriek, na de oorlog was hij ineens directeur van dagblad Het Vrije Volk. ‘Hoe dat is gegaan, weet ik niet precies. Hij was de organisator van de enige Februaristaking in Arnhem en omgeving. Later werd hij directeur van Het Vrije Volk in Amsterdam. Via een woningruil kwamen we terecht in de Gerrit van der Veenstraat in Amsterdam-Zuid. Mijn ouders kwamen uit eenvoudige gezinnen. Mijn vader was opgeklommen tot een mooi huis en een goede auto. Hij was de eerste die doorbrak op dat gebied.’ Over Amsterdam-Zuid schreef hij zijn eerste roman Red Ons, Maria Montanelli, uit 1989.
Was u vroeger verlegen?
‘Ik had een combinatie van verlegen zijn en een grote bek hebben. Door grappen te maken, kreeg ik wat ze tegenwoordig respect zouden noemen. Ik werd nooit gepest, ik zat altijd in groepjes.’
Wat wilde u worden?
‘Ik wist al vrij vroeg dat ik schrijver wilde worden. Op de lagere school viel ik er ook mee op. Het is een opschepperig verhaal, maar ik moet het even kwijt: een man van de middelbare school kwam bij ons in de klas. Onze leraar had hem onze beste opstellen gegeven. Van mij zaten er vijf bij. Die man vroeg: ik wil even weten, wie van jullie is Herman Koch? De andere kinderen zaten te kijken: nou gefeliciteerd hoor, Herman. Ik dacht, misschien kan ik hier wel iets mee.’
Toen hij een jaar of zestien was, besloot Herman Koch: nu ga ik niet meer alles aan mijn ouders vertellen. Bijvoorbeeld die ene keer dat hij op een motor, zonder helm de grote weg op ging en besefte: ik heb dit apparaat niet meer onder controle, deze bocht ga ik niet halen en die boom kan ik niet ontwijken. Of die keer dat hij op het schoolplein met de motor over een tuinhekje heen knalde. Motor in puin. De halve school wist het, maar zijn ouders niet. Tot zijn moeder overleed, Herman was zeventien. ‘Ik dacht: nu kan ik een motor kopen, ik doe er niemand verdriet mee als ik het niet overleef.’
Op die oudejaarsdag in Barcelona was zijn zoon elf, nu veertien. Michel, de zoon uit het boek – aan de dinertafel zitten twee broers en hun echtgenotes, het gespreksonderwerp dat ze vermijden: hun zoons die bij een pinautomaat een zwerver in brand hebben gestoken – is zestien. Michel is niet gemodelleerd naar zijn eigen zoon, hij is meer een zelfportret van Herman Koch toen die zestien was. ‘Die onverschilligheid als Michel zijn jas ergens laat liggen – dan haal je toch een nieuwe? Zo praten Michel en zijn neef ook over die zwerver.’
Was u verrast dat Het Diner zo’n bestseller werd?
‘Maria Montanelli heeft veel verkocht, die zit inmiddels boven de 100.000 verkochte exemplaren. Daarna zaten mijn boeken altijd tussen de 10.000 en 25.000. Met 25.000 was ik tevreden geweest, daar gokte ik op. Het succes van dit boek heeft een dynamiek waar ik geen vat op heb, het voelt alsof het buiten jezelf wordt getild. Ik kan het niet meer afremmen. Misschien alleen als ik nu een fascistische uitspraak doe. Dat mensen zeggen: van die klootzak willen we geen boek kopen. Het is niet alleen dat ik een hoop geld krijg, het is vooral de vrijheid. Ik kan een paar jaar voort, ik hoef niet meteen aan een nieuw boek te beginnen.’
Hoe was uw financiële situatie?
‘Ik heb geen vast jaarinkomen, ik wist dat ik geld had tot het einde van 2009. De verkoop van de dvd’s van Jiskefetloopt door, ik schrijf columns, doe optredens. Toen Jiskefet populair was, kwamen de commerciële omroepen naar ons toe: we hoeven niet te weten wat jullie verdienen, maar bij ons krijg je drie keer zoveel. Het verschil is dat ze bij zo’n club als die van John de Mol al je rechten afkopen. Bij de VPRO doen ze dat niet, we delen de opbrengst van de dvd’s. We hebben er weleens over gedacht om met een commerciële omroep te praten. Bij de VPRO was het allemaal zo verantwoord. Ze gaven ons het idee dat wij blij mochten zijn dat we bij hun mochten zitten. Volgens ons was het eerder andersom.’
Voor hij in Barcelona terechtkwam, paste alles wat Herman Koch aan bezittingen had in één koffer. ‘Als een vriendin in Londen ging studeren, ging ik met haar mee. Ik had niets wat me in Amsterdam hield, geen huis, geen vriendin. Zo heb ik jaren geleefd.’
Vanuit Spanje werkte hij voor het VPRO-radioprogramma Borát. ‘Ik kon een paar stemmen, Philip Bloemendal van het Polygoon-journaal en prins Bernhard. Ik was bezig met cassettebandjes, die stuurde ik naar Nederland. Michiel Romeyn zat bij Borát, samen kwamen we bij Jiskefet. Na een jaar forensen uit Barcelona, ben ik verhuisd naar Nederland. Kees Prins, Michiel en ik zagen Jiskefet als iets dat we erbij deden. Het werd de hoofdmoot.’
Wat was uw rol bij Jiskefet?
‘Michiel had de meeste ideeën, Kees hield het overzicht en ze vonden mij de afmaker. Als er nog iets aan ontbrak, kon ik bedenken wat dat was. We waren met z’n drieën goed op elkaar ingespeeld, zoals de voorhoede van een voetbalclub. ‘
‘We hoefden niet per se zelf te scoren, we gaven elkaar juist de voorzet. Michiel en ik zijn echt bevriend, hem spreek ik vaak. Met Kees was het meer dat het goed samenging in het vakgebied. ’
Ziet u een opvolger van Jiskefet?
‘Je zou kunnen zeggen dat het Draadstaal is, maar dat lijkt er te veel op om het te kunnen zijn. Als ik ernaar kijk, denk ik: dat hebben wij al een keer gedaan, maar dan beter.’
Bent u een grappige man?
‘Ik maak veel grappen in gezelschap. Vroeger was het nog erger. Ze zeiden: ja Herman, het is goed, we weten dat je leuk bent. Als ik niets zeg, vragen ze of er iets mis is met me.’
Zou u in een verfilming van Het Diner willen acteren?
‘Woody Allen vind ik al zo irritant in zijn eigen films. Ik kan het ook niet, ik kan niet acteren wat ik zelf heb bedacht. Ik krijg wel scripts aangeboden, dan denk ik: alsjeblieft zeg. Als ze me vragen om het Boekenweekgeschenk te schrijven, doe ik het zo. Ik heb me altijd een schrijver gevoeld.’
Is dat gevoel sterker geworden?
‘Nu ik me helemaal op het schrijven kan richten, denk ik: ik kan het wel. Ik kan de ene na de andere roman produceren. Door Jiskefet had ik het gevoel dat mensen dachten: dat is niet een echte schrijver, het is iemand van televisie die ook een boekje moet maken.’
Op pagina 177 van Het Diner staat: ‘Ik kan hier nu uitvoerig gaan uitleggen dat ik ooit, in een ver verleden, andere plannen met mijn leven heb gehad, maar dat doe ik niet.’
Bent u tevreden met hoe uw leven is verlopen?
‘Eigenlijk wel. Met Jiskefet is het niet de weg die ik van tevoren had kunnen bedenken, maar het is een ontwikkeling geweest die vruchtbaar was voor het schrijven. Daar kan ik tot mijn zeventigste mee doorgaan.’