Door: Marcel Hulspas 
Gepubliceerd: maandag 14 september 2009 21:18
Update: dinsdag 15 september 2009 07:52
De helft van het voedsel dat we produceren gaat nodeloos verloren. Tristram Stuart berekent de schade veroorzaakt door onze spilzucht.
‘Het zou eigenlijk niet nodig moeten zijn!’ De standaarduitroep van politici zodra het over voedselbanken gaat. Maar de realiteit is dat steeds meer mensen er een beroep op willen doen. Vele anderen wachten niet eens totdat een supermarkt of fabriek het overtollige voedsel bij de voedselbank brengt: ze gaan zelf op pad. Dat zijn ‘freeganisten’: ze leven van gratis voedsel.
Tristram Stuart was jarenlang freeganist. Hij scharrelde zijn kostje bij elkaar uit de containers van winkels en bedrijven. En als we zijn verhaal in Waste mogen geloven, was dat een fluitje van een cent. Iedere dag zetten Engelse supermarkten tonnen voedsel aan de straat. Voedsel dat vaak nog in uitstekende staat verkeert maar om louter cosmetische of technische redenen als onverkoopbaar wordt beschouwd. Stuart was stomverbaasd over zoveel verspilling. Maar wat supermarkten doen is niets vergeleken bij de verspilling die hij ontdekte toen hij zich werkelijk ging verdiepen in de weg van ons voedsel, van veld naar vork.
Uiterlijk
Supermarktketens verspillen niet alleen massa’s voedsel (slechts een minieme fractie bereikt de voedselbanken), ze dwingen hun leveranciers om tonnen voedsel te verspillen door extreem hoge eisen te stellen aan het uiterlijk. Stuart bezoekt bijvoorbeeld een fabriek waar worteltjes worden geteeld, gesorteerd en verpakt, voor supermarktketen Asda. 30 procent van de worteltjes voldoet niet aan Asda’s eisen: ze zijn te dun of te dik, of gewoon een beetje krom. Die worden door varkens geconsumeerd, maar veel vaker gewoon weggegooid. De enige reden die Asda hiervoor geeft (en andere supermarkten hanteren hetzelfde excuus) is dat de klanten die ‘afwijkende’ worteltjes niet zouden willen. Stuart maakt een eenvoudige rekensom en constateert dat slechts vier van de tien geteelde wortelen ook werkelijk worden gegeten.
Dat is nog een betrekkelijk gunstig cijfer. Van zaken als sla, aardbeien en appelen bereikt een nog kleiner gedeelte de maag van de consument. Niet alleen groente en fruit, ook melk, brood, vleeswaren en kant-en-klaarmaaltijden worden dagelijks in grote hoeveelheden weggegooid. De schattingen lopen uiteen, maar pakweg de helft van het voedsel dat wordt geproduceerd, gaat onderweg naar de consument verloren (of belandt daar alin de vuilnisbak). En waar blijft al dat overtollige voedsel? Dat wordt omgeploegd, gedumpt, afgevoerd naar de vuilverbranding. Slechts een zeer kleine fractie heeft nog enig nut en vindt zijn weg naar varkens, biogasinstallaties of voedselbanken. En dan hebben we het nog niet eens over de verspilling in de vleesindustrie (maïs of geïmporteerd graan voeren aan varkens is op zich al een vorm van verspilling van voedsel), en de visserij, waar de ‘bijvangst’ vaak veel groter is dan de ‘echte’ vangst, maar desondanks wordt deze morsdood weer overboord gekieperd. En niet te vergeten: de voedselverspilling in ontwikkelingslanden. In India gaat, door gebrek aan goede opslagmogelijkheden en transportmiddelen, de helft van de oogst steevast verloren.
Geen antikapitalist
Stuart is geen ‘linkse’ antikapitalist, een imago dat in ieder geval in ons land aan het freeganisme kleeft. Hij wil geen revolutie; hij wil alleen maar wijzen op de ontstellende verspilling die in onze wijze van voedsel produceren ingebakken zit, simpelweg omdat er vaak helemaal geen straffen op verspilling staan. En dat terwijl kleine veranderingen al enorme besparingen op kunnen leveren. Op basis van de schaarse harde gegevens (vrijwel niemand in de industrie is open en eerlijk, maar Stuart is dol op cijfers en de percentages en megatonnen doen de lezer regelmatig duizelen) komt hij tot enkele opmerkelijke conclusies. Wanneer we in staat zouden zijn om deze groteske verspilling van voedsel, zeg, te halveren (en daarbij liefst ook nog onze vleesconsumptie wat zouden temperen), dan zouden we genoeg calorieën uitsparen om (in principe) de honger in de wereld vele malen uit te bannen. Dan was er op deze planeet landbouwgrond zat, en zou er geen reden meer zijn om regenwoud plat te branden (om steeds soja te planten). En aangezien voedsel produceren ongelofelijke hoeveelheden energie en water kost, hoeven we ons ook een stuk minder zorgen te maken om het dreigende energietekort en het broeikaseffect.
Eigenlijk is het merkwaardig dat clubs als Milieudefensie, het WWF en Greenpeace het fenomeen verspilling volstrekt links laten liggen. Juist op dit terrein, zo benadrukt Stuart, zijn met bescheiden inspanningen al grote effecten te bereiken. Zorg voor goede, goedkope silo’s voor de boeren in ontwikkelingslanden en voor effectieve wetgeving tegen alle vormen van verspilling hier in het Westen. En leer de consument bewuster boodschappen doen. Dat is nog maar het begin van het scala aan maatregelen dat Stuart voorstelt, aan het slot van zijn vernieuwende, indrukwekkende boek. Lezen.