Door: Arjan Terpstra
Gepubliceerd: vrijdag 5 februari 2010 01:08
Update: vrijdag 5 februari 2010 01:40
Muziekgeschiedenis schrijf je in theaters als het legendarische Olympia in Parijs. De Nederlandse zangeres Jenny Lane kwam, zag en overwon. Een verslag uit de coulissen.
Moet je ook weleens zes keer poepen’, zingt Jenny Lane op een kindermelodie over wolven en grootmoeders. De zangeres stuift het toilet in, langs de leden van haar band, en het zal inderdaad de zesde keer zijn in het laatste half uur. Locatie: het Olympia Theater in Parijs, de artiestenruimte aan de achterkant van het imposante gebouw. Woensdag 3 februari 2010, tien over half acht. Over twintig minuten moet Jenny op, om muziekgeschiedenis te schrijven. Want het Olympia, dat is de plek waar Édith Piaf triomfen vierde, en Jacques Brel. Posters in de artiestenruimte verwijzen naar ‘Les Rolling Stones’, The Beatles, Ike en Tina Turner. Jeff Buckley nam er een liveplaat op, van een concert dat hij ‘het beste in mijn leven’ noemde. Stevie Wonder stond er, Led Zeppelin – wie van de echt grote namen eigenlijk niet?
Over twintig minuten kan ook Jenny Lane aan het illustere lijstje worden toegevoegd. Haar naam is nu al in grote neonletters aan de gevel gehangen. ‘Het Olympia presenteert met trots’, staat er in tekens van vijftig centimeter hoog. En dan, in vuurrode letters van een meter: JENNY LANE. ‘Niet gek hè, voor een meisje uit Purmerend met dunne beentjes’, zal ze na het optreden zeggen. Dan is ze een en al bravoure, danst ze op een roze wolk over de Boulevard des Capucines, zingt op haar hardst chansons naar verbaasde Parijzenaars. ‘Man, dit is toch geweldig!’

Dat op dezelfde gevel, onder haar naam, in letters van drie meter JOSS STONE staat geschreven, is voor Nederlandse betrokkenen bijzaak. Stones management benaderde Jenny voor een korte tour door Nederland en Frankrijk, terwijl Jenny Lane pas sinds september aan de weg timmert. Heel lang wist ze niet goed wat ze met haar talenten kon en wilde doen. Moest het kleinkunst worden, waar ze een opleiding in volgde? Of toch iets met zingen? En wat dan? Onzekerheid, tot ze drie jaar geleden een talentenjacht in het Apollo-theater in New York won, en het kwartje viel. Muziek. Eigen muziek. Soul en funk. Na de release van haar debuutplaat Monsters ging het hard. Er kwamen tv-optredens, interviews in bladen en kranten, en een tour met Boris en de Wicked Jazz Sounds Band, die morgen afsluit. En toen ineens een telefoontje: speel je mee met Joss Stone, in Amsterdam en Groningen, maar ook in Parijs en Lille?
En dus staat Jenny in Olympia, zoals zo’n beetje al haar blanke helden voor haar hebben gedaan. Een show met dezelfde symboliek als haar triomf in het Apollo-theater in New York, waar al haar zwárte helden stonden. De Jackson Five, Aretha Franklin, Marvin Gaye. ‘En nu hier, met míjn band…’ Staande voor het Olympia, de ogen op háár naam op de gevel, valt ineens het plezier van haar gezicht en schiet ze vol. ‘Sorry hoor. Het komt even binnen.’
Pingpong
Kwart voor acht. De band heeft nog een kwartier om zich op te peppen, en loopt in verschillende stadia van nervositeit door de backstageruimte. Er staat een pingpongtafel ter ontspanning, maar aan pingpongen moet niemand nu denken. Gitarist Frans speelt eindeloos loopjes om zijn vingers los te maken, drummer Colin roffelt met stokken op zijn dijbeen. De voorbereiding voor deze show is verre van optimaal, en daar maken de muzikanten zich zorgen over. Concentratie is alles. Een goed podiumgeluid ook, de juiste instelling van de instrumenten op de geluidsmonitoren. De soundcheck zou om half zes zijn, toen om kwart voor zes, zes uur. Joss Stone had nog een televisieopname ’s middags, dus haar soundcheck, die eerst moet, begon een stuk later dan gepland. De geluidmensen boden hun excuses aan, maar uiteindelijk was er geen tijd over om een paar nummers te spelen. Half zeven ging de zaal open. En half zeven moest dus iedereen het podium van het podium af zijn, terwijl Jenny nota bene de band niet op haar monitoren hoorde. ‘Wii wiel fiix iet’ is door de Franse technici beloofd, maar niemand was er gerust op.

Tien voor acht. Jenny stapt de kleedkamer uit, getransformeerd. Haar kanariegele podiumjurk had ze al een tijdje aan, de witte korte laarsjes, het grijze hoedje, zwarte netkousen en bijpassende handschoenen maken haar vampy dracht af. De make-up is bijgewerkt; Jenny de podiumpersoonlijkheid is compleet. Of toch niet, het kastje van haar in-earmonitor, van levensbelang om het bandgeluid goed te horen, zit nog niet aan haar jurk vast. ‘Waar is Rob?’, gilt ze, quasi in paniek. Rob is de modebewuste man van de band en mag het kastje aan haar ondergoed vasthechten. ‘Zie je een bobbel?’ ‘Ja, maar dat staat je prima’. De flauwe grappen nemen in frequentie toe, bij anderen gaat de onderkaak op slot en worden de ogen hol. Iedereen werkt op zijn eigen manier naar zijn of haar concentratie toe. Jenny betrap je af en toe op een scheefvallend hoofd met licht-theatrale blik, een klein zinnetje dat ineens met passie wordt gezongen. Voorbereidingen op de dingen die zo gaan komen, het theater, de presentatie. ‘Hoe zeg je ‘tot de volgende keer’ ook weer in het Frans? Of zal ik maar gewoon merci zeggen enzo?’ Anderen drinken nog maar een blikje Red Bull. De band is vannacht om kwart over vier uit Amsterdam vertrokken, en niemand heeft een oog dichtgedaan. Wat dat met je concentratie doet, is nog onduidelijk.
Enthousiasme
Kwart over acht. De band speelt een kwartier en is een geoliede funk- en soulmachine, waar het speelplezier vanaf spat. De zes nummers, zoveel passen er in het halve uur dat het voorprogramma van Joss Stone gegund is, zijn allemaal raak. Geluidsproblemen met de podiummonitoren zijn nog tijdens het eerste nummer verholpen, het publiek verandert van een nieuwsgierige en beleefd afwachtende massa in een enthousiaste kluwen armen, geluid en beweging. Het juicht en klapt, scandeert aan het einde van het optreden zelfs Jenny’s naam. Het is een indrukwekkende transformatie, vooral omdat niemand hier voor de Amsterdammers in de zaal staat en dit toch echt het eerste optreden (mét band) is buiten Nederland.

En Jenny is in bloedvorm, strooit met fabelachtige noten. De technisch volmaakte ad-libs, geïmproviseerde zangpartijen over meerdere tonen, brengen de handen op elkaar. Maar de Fransen worden met meer ingepakt dan alleen een mooie stem. Het einde van de ballade You Start a Fire zingt ze zo stil, zo overtuigend in geacteerd verdriet, dat het publiek ineens ook muisstil is. Een nummer dat met enkel trekharmonica, gitaar en zang op een soort parkbankje in de hoek van het podium wordt gespeeld, heeft juist weer zoveel zomerse onbevangenheid dat in de zaal een collectieve glimlach doorbreekt. En dan moet Jenny’s dansact nog komen, een totaal geïmproviseerde bewegingseruptie die ergens het midden houdt tussen een choreografie van Michael Jackson en een stuiptrekking van Cyndi Lauper. Als een sjamaan danst ze zichzelf in extase, en met haar het publiek, waarvan de voorste rijen de handen naar haar opheffen. Dan loopt het nummer af, en trekt ze een barstoel naar zich toe voor het afsluitende nummer. Gaat zitten en wacht tot het publiek is uitgejoeld, benen elegant en sexy over elkaar gevouwen. Het beest is getemd, en een kleine glimlach in Jenny’s mondhoek verraadt dat de dompteur het ook weet. ‘Merciiiiii, Pariiiiis!’
High fives
Half negen, het is over met geschiedenis schrijven. Jenny knuffelt kort met haar band backstage, laat high fives van haar hand afspringen. Schiet dan een lift in om aan de voorkant van het theater handtekeningen uit te delen en cd’s te verkopen. De show goes on, ook buiten. Fotografen willen nog een plaatje van deze onbekende Hollandse diva, automobilisten verdraaien hun nek om te zien welke mooie vrouw daar zo in de aandacht staat. ‘Man, is dit niet geweldig!’
Inderdaad, niet gek voor een Purmer meisje met dunne benen.
Foto's: Frank Groeliken
L’Olympia
Weinig theaters zijn zo vermaard als het Olympia Theater in Parijs. Opgericht in 1888 zijn er zóveel hoogtepunten geweest dat ze bijna niet meer op te sommen zijn. Veel daarvan vallen onder de categorie ‘legendarische concerten’, van artiesten die in het artikel zijn genoemd. Édith Piaf bijvoorbeeld hield er recitals van 1955 tot 1962, jaren die in het Parijse geheugen zijn geëtst als haar hoogtijdagen. Naast muziekvoorstellingen vonden ook veel theater-, bioscoop- en circusvoorstellingen in Olympia plaats, maar begin 1990 kwam de klad erin en zou het pand gesloopt gaan worden. Cultuurminister Jack Lang vond dat niet kunnen en voorzag in middelen om het Olympia te redden. Sinsdien is de oude luister met veel geld hersteld.