Door: Remco Tomesen 
Gepubliceerd: vrijdag 5 maart 2010 00:30
Update: vrijdag 5 maart 2010 01:13
Ooit was hij de koning van Rotterdam, partygoeroe Ted Langenbach, oprichter van Now & Wow en club Watt. ‘Of misschien ben ik dat nog wel steeds.’ Hij ziet Nederland veranderen in een land van ‘extreme middelmatigheid’. Met dank aan de overheid.
’Kijk, alweer een hoofddoekje.’ ‘Kijk, alweer Uggs’. ‘Kijk, alweer een bontkraagje.’ ‘Kijk, alweer een namaak Gucci-petje.’ Een stroom van mannen, vrouwen, jongens, meisjes, komt uit het Centraal Station in Rotterdam gelopen. Ted Langenbach, ‘50’, kijkt naar ze, vanachter een raam in het Manhattan Hotel, dat tegenover het station ligt. Geeft voortdurend commentaar.
‘Alles is standaard, iedereen ziet er hetzelfde uit. In Rotterdam is geen ruimte meer voor vrijdenkers, voor mensen die anders zijn’, zegt de man die Rotterdam in de jaren negentig en in de periode na 2000 hip maakte met zijn dansfeesten, met zijn wereldberoemde club Now & Wow. Zegt óók de man die nu voor een groot modemerk feesten in andere wereldsteden organiseert; in New York, Berlijn. ‘En dan kom je terug in Rotterdam, en dan denk ik: hoe zit het met de ideeën hier? En de rest van het land. Nederland heeft een groot probleem. De designers, dj’s, kunstenaars, creatievelingen – iedereen trekt weg.’
Ted is niet als de rest. Nooit geweest ook. ‘Op de lagere school kleedde ik me al als een Beatle. Later ging ik met groen haar en glitterlaarzen naar school.’ Vandaag draagt hij een broek met leren lappen bij het kruis, een jas van hermelijn, een muts, en T-shirt met de tekst Berlin Prenzlauerberg.

Dat laatste is een statement, want in Berlijn, ja, daar is alles anders, vertelt hij telkens weer. Alles wat in Berlijn kan, dat kan in Rotterdam juist niet. Kan nergens in Nederland, zegt de man, die wisselend wordt getypeerd als Rotterdamse partypaus, uitgaansgoeroe of een combinatie van beide: partygoeroe. Zelf noemt hij zichzelf liever een visionair. ‘Dat mag ik best zeggen, ik heb veel mensen geïnspireerd in Rotterdam, ja ook van daarbuiten, ben een soort koning geweest. Nou ja, misschien ben ik dat nog steeds wel voor veel mensen.’
Samen met Jules Deelder is hij, zegt Langenbach, Rotterdams nachtburgemeester. Hij de loco, Jules de ‘echte’.
Ook al is hij niet meer de grote partyorganisator, de man die internationaal bekend werd met excentrieke feesten bij Now & Wow (de club stopte in 2007), hij heeft nog wél invloed, praat met lokale politici, belt ze, gaat naar bijeenkomsten. En de politici luisteren zo af en toe ook naar hem, want Langenbach is toch de man die in 2000 de prestigieuze Laurenspenning kreeg, een prijs voor een Rotterdammer die veel voor de stad heeft betekend. Toch doen de grote machtsblokken in Rotterdam, PvdA en Leefbaar Rotterdam, vooral wat hij níet wil.
Komt het ooit nog goed met de tweede stad van Nederland?
‘We zitten in een tussenfase. En aan die tussenfase komt maar geen einde. De binnenstad is een soort Parijse voorstad geworden, een banlieu.’
Iedereen is hetzelfde in Rotterdam, vind je. Wat maakt dat uit?
‘Je ziet dat vier culturen de stad domineren: dat zijn de jongens die allemaal het mannetje willen zijn, de stoere gasten met kraagjes die willen vechten, het liefst in een BMW rijden. Dan heb je de urbansletjes, die met getatoeëerde ruggetjes het vrouwtje willen zijn. De Hollandse boeren, die in het weekend dronken worden in de Ski-hut. En al die kantoormedewerkers die elke dag hun tijd uitzitten. Vrijdenkers, mensen die anders zijn, komen nauwelijks meer in het centrum. Die voelen zich niet meer thuis in de masculiene sfeer die het Rotterdamse straatbeeld overheerst. Iedereen sluit zich op in zijn eigen groep, jongens die hand in hand lopen worden uitgescholden. Rotterdam heeft al weinig hoogopgeleiden, dat worden er zo alleen maar minder.’
Zie je dat ook in andere steden?
‘Ja, je ziet het overal in Nederland. Waar we op dit ogenblik last van hebben is dat er steeds meer regelgeving komt. Voor nieuwe clubs, kunstenaars, vrijdenkers, de mensen die een stad máken, is geen ruimte. Zij krijgen nauwelijks nog een vergunning, hebben last van veel te veel regels.’
‘Die verandering begon al na de rampen in Enschede en Volendam. Daarna kwam de dreiging van het terrorisme, 9/11, de moorden op Fortuyn en Van Gogh. De problemen met sommige groepen, zoals de hooligans, maken het nog erger. Rotterdam, de rest van Nederland, wordt dichtgetimmerd met regels. Maar de groepen voor wie de regels zijn bedoeld, trekken zich er juist niks van aan. Als de hooligans niet meer naar het voetbal mogen, dan gaan ze naar de Danceparade. En nu ze daar niet meer naar toe kunnen, vinden ze wel een andere plek, gaan ze desnoods naar een bloemencorso. Echte overlastgevers vinden altijd ruimte om de politie uit te dagen, terwijl vernieuwende initiatieven, de clubs waar creatievelingen, homo’s, vrijdenkers, naar toe gaan, er last van hebben.’

De Danceparade komt in de huidige vorm niet terug. Het zomercarnaval mag doorgaan.
‘Er komen mensen naar me toe die daar helemaal niets van begrijpen: op het zomercarnaval gebeuren ook rare dingen. Vorig jaar is er nog iemand neergestoken. Grof gezegd is de Danceparade meer een witte-mensending, het zomercarnaval meer een zwartemensending. De Leefbaren zijn meer van de Dance-parade, de PvdA meer van het zomercarnaval. De Danceparade moet lijden omdat er vorig jaar rellen waren bij een dansfeest bij Hoek van Holland, het zomercarnaval mag gewoon doorgaan.’
En er zijn de subsidies voor urbanfeesten, die vooral allochtone jongeren trekken. Valse concurrentie, vind je. Het urban podium krijgt 11 miljoen subsidie, het Rotterdamse jongerenjaar, dat ook zwaar inzette op urban, 50 miljoen.
‘Het antwoord op rechts populisme (Leefbaren, red.) is links populisme (PvdA Rotterdam, red.). Dat linkse populisme heeft er de laatse vier jaar, met de PvdA aan het roer, toe geleid dat verkeerde mensen geld en subsidie kregen. Dingen die wij in de jaren negentig al deden, kregen opeens subsidie onder het mom van culturele correctheid en sociale cohesie. Om iets ‘positiefs’ te doen voor de grote groep allochtone jongeren in Rotterdam (meer dan de helft van de jongeren, red.). Maar de nieuwe initiatieven zijn slechte kopieën van wat wij vroeger al deden, zonder subsidie.’
Gaat er wat veranderen na de gemeenteraadsverkiezingen? De PvdA is niet meer de grootste in Rotterdam. De partij heeft, voor zover nu bekend, evenveel zetels als de Leefbaren.
‘Hopelijk kan D66 een sleutelrol spelen. De partij is erg gegroeid, heeft nu vier zetels (PvdA en Leefbaar beide veertien, red.). Zij zouden het bindmiddel tussen PvdA en Leefbaar kunnen worden, en de wethouder van cultuur kunnen leveren. Het D66-cultuurbeleid is erg progressief.’
Langenbach is dan wel kritisch over urban, hij is niet anti-allochtonen. Elke dag spreken ze hem juist aan op straat. Niet de bontkraagjes of de hoofddoekjes, maar de hippere Turken, de coole Marokkanen. Díe Turken en Marokkanen vinden Istanbul spannender dan Rotterdam, Marra-kech hipper. Vanochtend nog kwam er een Surinaamse jongen op hem af die vroeg waarom hij niet meer vrij kan uitgaan in de stad. ‘In de jaren negentig, tot 2003, was multiculti hip. Toen liep alles door elkaar op feesten, in de Now & Wow: homo’s, hetero’s, zwart, wit, geel. Nu trekt iedereen zich terug binnen zijn eigen stam, heb je zwarte feestjes, latin feestjes, witte 80’s en 90’s feestjes.’
Ted, je bent wel een beetje aan het klagen.
Beetje geërgerd: ‘Het gaat erom dat je ook aangeeft wat de oplossing is. Tot 2003 trok heel Nederland naar Rotterdam. Dat is belangrijk, want een goed uitgaansleven is de basis voor de economie in de stad over vijf jaar. Als je alleen voetbalcafés hebt, plekken waar mensen bitterballen eten, dan trekken mensen naar andere steden.’
En hoe hou je die mensen in een grote stad als Rotterdam?
‘De huren voor creatieve ondernemers moeten omlaag. In Berlijn kun je voor 300 euro een leuke ruimte huren, om een vintagewinkel te starten of een kroegje. Hier betaal je drie- tot zesduizend euro. En daarop de enorme bureaucratische rompslomp.’
Maar de inwoners kunnen toch ook zelf de stad leuker maken?
‘Dat gebeurt ook. Mensen gaan en masse de illegaliteit in: je ziet dat er meer en meer huiskamerfeesten komen, of kelderfeesten, verzin maar een plek. Er komen vaak zo’n 200, 300 mensen op af. Zonder zich aan brandvoorschriften te houden, met alle risico’s van dien. De paradox is: de overheid is enorm gaan controleren, en nu heeft ze helemaal geen controle meer. Daar moet de overheid zich zorgen over maken.’

Kom je zelf veel op zulke feesten?
‘Ja, vaak krijg je een bericht via Facebook. Of een sms’je dat er over een paar uur een feest is, ergens in een kelder. Plus een speciale code om binnen te komen. Mensen moeten een eigen drankje meenemen, en knakworsten. Ik heb laatst op een feestje in een school gedraaid, georganiseerd door Portugese expats. Die komen niet aan hun trekken in Rotterdam, willen niet naar urban feesten’.
Ideeën, daar gaat het om, zegt Langenbach steeds weer opnieuw. En daar ontbreekt het aan, zegt de man die ooit tweede werd bij de verkiezing tot nachtminister-president van Nederland. Hij denkt graag mee, geeft het Rotterdamse gemeentebestuur op afstand adviezen. Of ondernemers, jongeren. Gevraagd, of on-?gevraagd. ‘Een goed idee is een potentieel sterke economie’, zegt hij opeens. ‘Dat is een leuke kop boven dit interview. Nee?’ Wat híj denkt van de kop ‘Kijk, alweer een hoofddoekje?’ Een afwijzend gebaar: ‘Nee, dan lijkt het net alsof ik bij Geert Wilders hoor.’
Je bent niet heel jong meer. Luisteren jongeren nog wel naar je?
Verbaasd: ‘Leeftijden zijn niet meer bepalend in grote steden. In Berlijn of New York heb je een grote mate van generatieloosheid. Het maakt niet uit of je 15 of 60 bent: iedereen loopt door elkaar. Samen maken ze de stad. En jonge mensen hebben inspirators nodig.’
Waar haal je de jonge Rotterdammers vandaan die nog naar je willen luisteren?
‘Ik zeg: importeer een paar honderdduizend vrijdenkers en zet ze in de binnenstad. Daar wonen nu maar 30.000 mensen. Haal de nieuwelingen uit Japan, Zweden, noem maar op. Laat ze in de binnenstad studeren, zet er dependances op van universiteiten, kunstacademies. Laat ze vernieuwende winkels beginnen, creatief zijn. Lok ze met goedkope woningen. De binnenstad zit nu vol mensen die in een kantoor werken, en na vijf uur weer terug naar hun voorstad gaan. Zet die vrijdenkers in kantoorpanden, en verplaats de saaie bedrijven naar de rand van de stad.’
Is dit niet veel te extreem?
‘Je moet uitdagen. Over vijf jaar zeggen mensen: oh ja, die Ted, die zei toen wel iets zinnigs. Over tien jaar gaat het stadsbestuur dit plan uitvoeren.’
Staat er al een opvolger van Ted Langenbach klaar in Rotterdam?
‘In dit conservatieve klimaat zie ik hem niet rondlopen. Je zou hem moeten importeren, uit Japan ofzo.’
Na het interview zwaait Langenbach vanaf de andere kant van het raam wild naar binnen. Hij zit op zijn shopper-fiets, houdt zijn mobieltje in de lucht. ‘Ja, met Ted. Ik heb nog een leuk idee voor de kop. Schrijf je mee? Dit is ‘m: ‘Wordt het Teheran aan de Maas of Berlijn aan de Maas?’ Leuk toch?’