Door: Marcel van Engelen
Gepubliceerd: donderdag 26 augustus 2010 22:27
Update: vrijdag 27 augustus 2010 07:43
Honderd jaar oud zijn en dan ontdekt worden in Amerika. Dat
overkomt schrijver Hans Keilson, met boeken die hij lang, lang geleden
schreef en die toevallig weer vertaald werden.
Hans Keilson is honderd jaar oud. ‘En achtenhalve maand!’ voegt hij er zelf aan toe.
Hij wacht zijn bezoek op, gebogen achter een
rollator, in de hal van zijn huis in Bussum, waar nog altijd het bord
‘Dr. H. Keilson, Zenuwarts’ in de tuin staat met bijbehorende
spreekuren. Pas enkele jaren geleden beëindigde hij zijn praktijk. De
therapie van sommige patiënten liep lang door.

Foto: Klaas Jan van der Weij
Hij schuifelt naar de woonkamer en het duurt even
voordat hij heeft plaatsgenomen op de bank. Zijn (jongere) vrouw is naar
de keuken. Haar man doet het zelf. Hij manoeuvreert tussen salontafel
en een stoel die speciaal lijkt neergezet om er met zijn handen op te
kunnen steunen. ‘Ik heb onlangs een heupoperatie ondergaan’, zegt hij
terwijl hij als een heel voorzichtige turner tussen twee leggers naar
zijn plaats beweegt.
Hij zit. Hij nijgt voorover, laat net een halve meter
ruimte tussen hemzelf en zijn gesprekspartner, neemt die aandachtig op
en begint te vragen. Wat dat nu voor een blaadje is, De Pers. Wie dat
lezen en waarom. Wat de journalist heeft bewogen bij hem op bezoek te
komen. Wat hij vindt van de nieuwe Nederlandse vertaling van zijn boek
In de ban van de tegenstander (Keilson woont al sinds 1936 in Nederland,
maar bleef in het Duits schrijven). Nooit een geïnterviewde meegemaakt
die zelf zo weetgierig is. Klopt het trouwens dat veel mensen The New
York Times lezen?
Misschien niet eens zo veel, maar als boeken in die
krant tot meesterwerk worden verklaard en de schrijver tot genie, heeft
dat effect.
‘Voor alle drukke, overvoerde en snel afgeleide
lezers die alleen de tijd en energie hebben voor de eerste alinea van
deze recensie, zeg ik het maar zo snel en duidelijk mogelijk: In de ban
van tegenstander en Comedie in mineur zijn meesterwerken en Hans Keilson
is een genie.’ Zo, dat was waarmee de boekenbijlage opende van één van
’s werelds toonaangevende media, begin augustus.
En, zoals gezegd, dat heeft effect. Keilsons boeken
bestsellers noemen, gaat nog iets te ver. Maar ze zijn wel op weg dat te
worden (tik bij Google ‘amazon bestsellers’ in voor een update, het
gaat heel hard met Hans Keilson). Onder de kop Lost Masterpieces
vergeleek een ander goedgelezen Amerikaans medium, website The Daily
Beast, Keilson al met andere herontdekte grote, Europese schrijvers
zoals Irene Némirovsky. Herontdekt, omdat In de ban van de tegenstander
vijftig jaar geleden door weekblad Time al eens werd beschreven als ‘de
beste verklaring voor de berustende houding van de joden in de Tweede
Wereldoorlog.’ Daarna was het stil rond schrijver Hans Keilson.
Betrekkelijk stil dan. Hij publiceerde gedichten en essays over zijn
vak, de psychoanalyse, ontving in zijn geboorteland Duitsland
onderscheidingen en werd hier op zijn honderdste geboortedag gekroond
tot officier in de orde van Oranje Nassau. Maar zeg eens eerlijk, had u
wel eens gehoord van Hans Keilson?
Wel leuk
Tijdens het gesprek belt de Wereldomroep voor een
radio-interview. Binnenkort komt een correspondent van The New York
Times vanuit Parijs over met een tolk voor een vraaggesprek. ‘Ik had
vanmorgen een vriend, een vroegere hoogleraar van 82 jaar, aan de
telefoon die me vertelde dat andere schrijvers hetzelfde is overkomen,
maar die waren dan meestal dood.’
Of het hem met trots vervuld? ‘Niet zozeer als mijn
twee dochters. Op deze leeftijd beleef je zoiets anders. In het
Nederlands is er een goede uitdrukking voor: ik vind het wel leuk. Ik
hoef de wereld niet meer te laten zien wie ik ben of wat ik kan.’
Bij trots denkt hij eerder aan zijn vak als
psychiater. ‘Daarin heb ik mijn mannetje gestaan. De noodzaak om als
arts te existeren zat me dichter op de huid dan de literatuur. En ik
denk aan mijn vader, die zou hebben gezegd: ‘Jongen, je hebt het er
fatsoenlijk afgebracht in je leven.’ Meer ook niet. Eerlijk gezegd wist
ik niet wat de betekenis was van The New York Times.’
Vijand ‘B’
Hans Keilson studeerde medicijnen, speelde
hartstochtelijk viool (klassiek) en trompet (jazz) en schreef zijn
eerste gedichten en een roman in Berlijn, de stad die hij ontvluchtte
nadat de nazi’s de anti-joodse rassenwetten invoerden. Zijn vader had
een textielzaak en kwam samen met zijn moeder ook naar Nederland. Maar
ze doken niet onder, zoals hun zoon deed, en werden afgevoerd naar
Auschwitz.
Al in zijn onderduiktijd begon Keilson aan zijn
belangrijkste werk In de ban van de tegenstander, waarin een weifelende,
analytische verteller, die sterk op Keilson lijkt, weigert te
accepteren wat veel anderen zien aankomen. Hij houdt tot het laatst de
hoop dat zijn grote vijand ‘B’ (Hitler) tot inkeer komt. Hij is in de
ban van zijn tegenstander, zoals zijn tegenstander in de ban is van hem,
van zijn volk (in het boek komt het woord joden niet voor). ‘Hij had
mij immers nodig in zijn razernij om zich achter mij voor zichzelf te
verbergen’, schreef Keilson. Je kunt de roman lezen als een
psychologische verklaring voor wat onverklaarbaar heet te zijn.
Was het boek zijn tijd vooruit?
‘Beslist. Mijn vaste uitgever in Duitsland, Fischer
Verlag, wilde het niet uitgeven. Mijn redacteur zei toen al dat het te
vroeg was. Het verscheen uiteindelijk bij een andere uitgeverij (in
1959, red). Het is een thema dat voor het eerst door mij is beschreven:
dat de joden en nazi’s in wezen een intieme relatie hadden. Dat de
nazi’s hun eigen afgronden, alles wat ze niet in zichzelf wilden zien,
op de joden hebben geprojecteerd.’
Hoe kunt u toen al zo’n afstandelijke blik hebben gehad?
‘Mijn ouders waren zo. En toen ik op het gymnasium
mijn eerste literaire prijs won, een prijsvraag van een blad voor de
boekhandel, heb ik de Vorlesungen van Sigmund Freud uitgekozen. Die heb
ik allemaal gelezen. Daarmee heb ik afstand gewonnen tot de realiteit.
Daar staat in dat je met je eigen problemen, dat wat je niet kunt
accepteren, in het reine moet komen, die niet op een ander moet
projecteren.’
‘De nazi’s hebben hun eigen driften, hun eigen
instincten niet herkend. Ze begrepen niet dat wat ze over de joden
zeiden hun eigen teksten waren, hun eigen inhoud. Het leidde tot hun
ondergang. Hitler heeft zichzelf omgebracht. Goebbels zijn kinderen,
daarna zichzelf. Een vijand is niet iemand die jou iets afneemt of
zwakker maakt. Een vijand is iemand in wie jij dingen ziet die je niet
in jezelf wilt zien.’
Zag u werkelijk niks aankomen?
‘Mijn eerste vrouw, die met mij mee kwam uit
Duitsland, was grafologe. De eerste keer dat ze het handschrift van
Hitler zag, zei ze: ‘Die man steekt de wereld in brand.’ Ik zei: ‘Je
bent gek geworden.’ Ik had net mijn eerste roman gepubliceerd. Het was
voor mij een vreemde gedachte om als emigrant in een buitenland te
moeten leven. Ik wílde dat het niet waar was.’
‘Bewondering moet ook een rol hebben gespeeld. Hitler
behaalde geen meerderheid, maar hij kreeg wel iedereen mee. En ik
genoot van de rijke, Duitse cultuur. Ik vond de opera Tristan van (de
antisemitische Duitse componist) Wagner heerlijk. Ik was erdoor
betoverd. Nu nog!’
‘In Holland begreep ik het pas. Ik ben twee jaar
dagelijks in psychoanalyse geweest, om het toch te accepteren, om het
mijn waarheid te laten worden.’
Ouderdom komt met gebreken. Hans Keilson heeft een
slecht rechteroog en een haperend geheugen. Maar voor een honderdjarige
(en achtenhalve maand) is zijn geest nog opvallend scherp. Spontaan
declameert hij gedichten, in het Duits, die hij zeventig jaar geleden
schreef. Hij kauwt op zijn antwoorden, valt stil, stelt een wedervraag.
Af en toe glimlachen zijn ogen. Met een breekbare stem, in een nog immer
sterk Duits accent: ‘Als u vindt dat ik domme antwoorden geef, mag u
mij dat zeggen.’
Hij kijkt nog wel televisie, leest koppen in de
krant. Maar op hedendaagse onderwerpen, zoals Geert Wilders, geeft hij
geen commentaar. Hij weet er te weinig van.
In Nederland maakte Keilson naam als psychotherapeut.
Na de oorlog begeleidde hij joodse weeskinderen, die nachtenlang lagen
te huilen in hun bed. Hij promoveerde toen hij 69 jaar oud was. Een
gebrekkige opvang na een (oorlogs)trauma kan bijna zo traumatisch zijn
als het trauma zelf, toonde hij aan. Vroegere, volwassen patiënten,
onder wie bekenden als Arnold Heertje, zijn vol lof. Ze zeggen dingen
als: dankzij hem zag ik de zin van het leven weer.
Wat heeft u hen verteld?
‘Het is een moeilijk vak, maar je kunt het eenvoudig
maken zonder dat het zijn waarde verliest. De mensen die mij
consulteerden, kwamen niet om mij te horen praten. Ze kwamen om te
vertellen wat hen bedrukte. Dat is het belangrijkste: precies
observeren, goed luisteren. Als iemand ervaart dat werkelijk naar hem
geluisterd wordt, is daar het helende moment.’
Hoe is het u gelukt om, ondanks uw persoonlijke ervaringen en aangehoorde ellende, zo wellevend te blijven?
‘De muziek. Nu, op dit moment, schieten de melodieën door mijn hoofd.’ (Hij begint te zingen, een Duits liedje).
‘Ik krijg deze inval spontaan, dat betekent dat die
echt is. Ik heb geleerd invallen op waarde te schatten. Ik heb altijd
een grote muzikale belangstelling gehad en veel gespeeld. Jazz,
concerten van Mozart, Mendelssohn. Ja, de muziek geef ik een grote
chance.’
Wat is liefde?
‘Het tegenovergestelde van haat: niet de afgronden
maar de hoogten in jezelf, al het moois, op de ander projecteren. En de
voortplanting natuurlijk.’
Bestaat vriendschap?
‘Ja, die bestaat: eenwording met iemand anders in wie je een stuk van jezelf herkend hebt, zodat het geen vreemde is.’
Wat gebeurt er na de dood?
‘Ik word begraven op de joodse begraafplaats in
Badhoevedorp, naast mijn eerste vrouw, die katholiek was maar jodin is
geworden.’
‘Het is een vraag die me niet meer bezig houdt. Als
ik daarover zou nadenken, zou ik mijn inzicht en kritiek volledig kunnen
kwijtraken. Ik heb geleerd dat er vragen zijn waarop je nooit een
antwoord krijgt. Niemand weet wat achter de wolken gebeurt. Dat zijn
fantasieën, voorstellingen.’
Eerder had u het over geluk. Is dat waar we naar moeten streven?
‘Hoe wilt u geluk definiëren? Ik kan alleen voor
mezelf spreken en ben heel bescheiden in dit opzicht. Het gaat om
tevredenheid, een diepe vorm van tevredenheid. Over dat wat je is
overkomen, hoe je daarop hebt gereageerd, wat je hebt aangekund en ook
wat je niet hebt aangekund. Er zijn altijd dingen die je niet aankan.
Daar moet je eerlijk voor uitkomen.’