Door: Leonore Willemsen » Meer columns van Leonore Willemsen
Gepubliceerd: vrijdag 27 augustus 2010 00:01
Update: vrijdag 27 augustus 2010 00:01
Op een middag zit ik in de trein richting huis, gelukkig is het rustig en heb ik een mooi groen bankje voor mezelf. In mijn coupé zitten nog drie anderen, die ik verder geen aandacht schenk en ik verdiep me in mijn krant.
Eenmaal op Amsterdam Centraal aangekomen loop ik het perron op en loopt er een man achter me aan. Hij maakt een beweging die volgens mij op zwaaien moet lijken, ik kijk hem verbaasd aan, maar krijg verder geen reactie omdat hij bijna omver wordt gelopen door de instappende passagiers.
Verder niet stilstaand bij het incident loop ik de trap af en meng me in de stoet. Ergens achter me hoor ik een ondefinieerbare kreet en ik kijk om. Daar is dezelfde man weer. Nu voel ik me opgejaagd en niet op mijn gemak, wat wil die vent?
Hij ziet er verfomfaaid uit: zijn haar zit in de war, hij draagt een oude versleten schoudertas en zijn shirt zit onder de vochtige vlekken.
Ik versnel mijn pas naar de uitgang, maar dan klinkt er nog een keer een kreet achter me en zie ik dat de verfomfaaide man ook harder is gaan lopen. Hij loopt echt achter mij aan!
Ik ren nu bijna door de stationshal naar de tram, kijk over mijn schouder en zie dat hij ook is gaan rennen met ongecoördineerde passen. De angst slaat nu echt toe. Als ik buiten kom zie ik tot mijn opluchting dat mijn tram er al staat, mijn hart klopt in mijn keel als ik merk dat er een langzame rij ontstaat bij het instappen van de tram.
Slecht op mijn gemak schuifel ik mee en kijk om me heen. Ineens staat hij achter me, met een onzekere glimlach kijkt hij me aan en overhandigt mijn agenda. ‘Lag in de trein’, zegt hij nog. Dan word ik de tram ingeduwd.
Een gevoel van schaamte kruipt door mijn lichaam en met een steeds roder wordend hoofd zwaai ik nog naar hem door het raam.
Schuldbewust en met nog steeds een knalrood hoofd neem ik plaats en stop mijn agenda terug in mijn tas.