Door: Tommy Wieringa » Meer columns van Tommy Wieringa
Gepubliceerd: maandag 30 augustus 2010 21:51
Update: maandag 30 augustus 2010 21:51
Ongelovig te zijn is niet veel mensen gegeven. Ik ken één iemand die écht ongelovig is, zijn leven is dat van een dwarrelend blad. De rest gelooft in natuurgeneeswijzen, wedergeboorte, God, socialisme, voorspellende dromen, Rudolf Steiner, marktwerking, tarotkaarten, boze ogen, het Nieuwe Testament, bezweringen, talismannen, relieken, zeewierpillen; geloof is een plantje dat zich tussen de stenen nestelt, het heeft maar heel weinig nodig om tot bloei te komen.
Ik deins altijd een eindje terug wanneer iemand me vertelt een vast geloof te bezitten. Dit is de routine: ik mag dan niet hetzelfde geloven maar er wordt tenminste respect van me gevraagd. Respect is de minimale eis. Daar begint het. Geen enkel geloof kan op zichzelf bestaan, altijd daagt het uit tot instemming, respect of weerwoord, er wordt, kortom, meteen iets teruggevraagd.
Meestal draagt de gelovige ook een programma van tolerantie uit, want onverdraagzaamheid staat niet netjes. Tolerantie is een applicatie die met veel soorten geloof meekomt, je kunt haar aan- of uitzetten. Hoe zwakker het geloof, hoe groter de tolerantie gemiddeld genomen zal zijn.
De tolerantie is eindig. Uiteindelijk verdraagt geen enkele geloofsovertuiging ongeloof of spot. Gebrek aan respect betekent het onmiddellijke einde van de tolerantie. Daarachter komt de immanente bloeddorst van elke overtuiging tevoorschijn, het onvermogen van het ene geloofssysteem om vreedzaam naast het andere te kunnen bestaan. Hoe krachtig het programma van tolerantie ook werkzaam is, als je goed luistert hoor je altijd tandengeknars en, uiteindelijk, het knetteren van de brandstapel of het suizen van de guillotine.
In een oud nummer van het tijdschrift Hartslag stond een sterk voorbeeld van de wezenlijke onverdraagzaamheid jegens de ongelovige, het uitsluitingsmechanisme. ‘Als christenen weten we dat God alles geschapen heeft en dat we God moeten dienen om hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn. De mens komt ván God, zijn leven moet zijn vóór God, en in God vindt hij zijn eindbestemming. Leeft de mens niet voor God dan mist hij zijn doel en verspeelt hij zijn geluk. Dat geluk is geen privé-aangelegenheid. Echt gelukkig kunnen we alleen worden wanneer we het geluk samen delen door elkaar gelukkig te maken. Verbondenheid met elkaar en vooral met Christus is hierbij een noodzakelijk vereiste.’
De neiging om hem die ons geloof niet deelt in het verderf te willen storten, is onuitroeibaar. Zijn bestaan is een ontkenning van het onze en derhalve een belediging. Hij moet worden gestraft, liefst nu meteen maar als de omstandigheden dat niet toelaten dan toch in het hiernamaals.
Wie onze hemel niet wil delen, bieden wij onze hel aan.
* Tommy Wieringa is auteur van onder meer de romans Joe Speedboot en Caesarion.