Door: Marcel van Engelen
Gepubliceerd: woensdag 6 juni 2007 10:13
Update: woensdag 6 juni 2007 19:58
Er zijn nog kaartjes als we rond middernacht bij Thiossane (‘Cultuur’) arriveren, een laag wit pand waarvan alleen de blauwe luifel voor de ingang suggereert dat het om een club gaat. Een van de vele in de stad. Dakar is vermaard om zijn levendige muziekscene en bijbehorend nachtleven.
Binnen, in de helverlichte gang, liggen cd’s van clubeigenaar Youssou Ndour – Senegals superpopster – uitgestald op een tafel. Iedereen loopt er voorbij. Waarom een origineel aanschaffen als overal op straat een illegale kopie voor anderhalve euro te koop is?
We nemen plaats op een van de tribunes aan de zijkant van de zaal, tussen een handjevol toeristen en enkele tientallen Senegalezen, die hier kennelijk ook voor het eerst zijn, want net als wij weten ze niet dat het nog een kleine drie uur duurt voordat het optreden begint. Als dan eindelijk een oudere zanger uit de entourage van Ndour het publiek komt opwarmen, is de zaal volgelopen. Er zijn enkele honderden, misschien wel duizend toeschouwers, vrijwel allemaal Senegalees.
We dringen ons naar voren als op het podium plotseling een man staat in spijkerbroek en zwart overhemd. Hij heeft veel weg van Youssou Ndour, maar ik moet me vergissen, want deze man wekt niet de indruk dat het om hem gaat. Zijn entree was zo bescheiden, dat ik hem in eerste instantie niet eens opmerkte. En nu danst hij ingetogen aan de zijkant van het podium. De man loopt naar de microfoon en zegt iets in het Wolof wat ik niet versta. Hij heeft ook de stem van Youssou Ndour. ‘Is dát Youssou Ndour’, vraag ik aan mijn Senegalese vriend. ‘Dat zie je toch wel.’ Ja, volgens mij zag ik het wel, maar waarom staat hij daar zo bescheiden te zijn? Timide bijna.
Mijn ervaringen met Afrikanen die het hebben gemaakt, zijn heel anders. De zakenmannen die je op het vliegveld tegenkomt bijvoorbeeld, en die hun geld in Europa verdienen. Ze gedragen zich zo verheven als geen blanke zou durven. Een minister op werkbezoek is als een keizer met een gevolg van lakeien.
En dan is dit Senegals grootste ster? Daar staat een man die even later weliswaar zelfverzekerd zijn band instrueert, maar geen spoor van importantie vertoont. Het publiek zingt vanaf het eerste nummer zijn songs mee, is enthousiast maar tegelijk ontspannen. Sommigen dansen met elkaar zonder naar het podium te kijken. Ze moeten hier vaker komen. Youssou danst ontspannen met hen mee. De gastheer – onaantastbaar en benaderbaar tegelijk.
Bij het nummer Africa Dreamvoert hij lachend met de tama-speler een dansje uit waarbij ze springend op de maat steeds een kwartslag draaien. De tama is een kleine djembé, die onder de oksel wordt geklemd, met zowel de hand als een stick wordt bespeeld, en zorgt voor een galmend geluid. Het wordt ondersteund door elektrische gitaren en synthesizers. In mbalax, Senegals muziekgenre dat Ndour over de wereld bekendmaakte, komen Afrika en het Westen samen.
Hoe langer ik naar de energiek dansende man op het podium kijk, hoe ongewoner hij wordt. Wanneer hij Teyël Ko inzet (over je grote liefde, waar je alles voor moet doen) raakt de zaal in vervoering. Iedereen zingt luidkeels elk woord mee. Hij doet ‘m nog een keer. En nog een keer. Ik kan de tekst niet meezingen, maar het maakt weinig uit. Youssou Ndour is weergaloos. Ik kom nooit meer van hem af.