Door: Edward Deiters 
Gepubliceerd: maandag 15 december 2008 00:35
Update: maandag 15 december 2008 00:35
Het aantal tijdelijke managers groeit de komende jaren explosief. Misschien wel te hard. ‘Iedereen kan een bord aan de gevel spijkeren en zich interim-manager noemen.’
De arbeidsmarkt verandert. Het toverwoord is zelfstandigheid. Volgens ramingen zijn er op korte termijn circa een miljoen of meer zelfstandigen aan het werk, ofwel ruim drie keer zoveel als nu. Meer dan 200.000 van hen zijn hoger opgeleid en leveren op tijdelijke basis diensten als professional en/of manager.
Van een wildgroei aan interim-managers wil Arie de Ruijter, hoogleraar sociale wetenschappen aan de Universiteit van Tilburg, niet spreken, maar er moet volgens hem wel beter toezicht komen op de praktijken van deze beroepsgroep. ‘Het is natuurlijk een proto-professie’, zegt hij. ‘Iedereen kan een bord op de gevel spijkeren en zich interim-manager noemen. Er zijn geen competenties of eisen waaraan ze moeten voldoen. Natuurlijk, er zijn brancheverenigingen en er lopen in dit vak een heleboel bijzonder goede professionals rond, maar het gaat ook regelmatig mis.’
Over de schutting
Lachend vertelt De Ruijter dat hij ooit hoorde dat de gemeente Nijmegen op een goed moment 26 interim-managers in dienst zou hebben. ‘Organisaties halen vaak te snel interim-managers in huis. Bij grote problemen kan zo de verantwoordelijkheid over de schutting worden gegooid. Als die interim-manager het probleem niet kan oplossen, kunnen ze zeggen: die professional lukt het ook niet. Wanneer de interimmer wel met de oplossing komt, kunnen ze achteraf de eer opstrijken. Ze hebben immers de juiste beslissing genomen door er iemand van buiten bij te halen. Dat is in beide gevallen natuurlijk een verkeerde attitude.’
Maar ook aan het gedrag van de interim-managers zelf mankeert nogal eens wat, meent De Ruijter. ‘Vroeger werd vaak de grap gemaakt dat de eerste generatie interim-managers, eind jaren zeventig, bestond uit directeuren die eerst hun eigen bedrijf over de kop hadden laten gaan. Daarin is gelukkig een hoop verbeterd.’
Maar helemaal goed gaat het volgens hem nu ook weer niet in het wereldje van tijdelijke directeuren. De Ruijter wijst op het proefschrift van Leo Witvliet, voormalig directeur/partner van Ernst & Young interim-management in Utrecht. ‘Die promoveerde enkele jaren geleden bij mij’, zegt De Ruijter. Witvliet noemt de interim-manager ‘een Robinson Crusoë, die als selfmade man zijn eigen wereld schept op de brokstukken van een zieltogend bedrijf.’ Helaas krijgt volgens Witvliet lang niet ieder bedrijf dat een interim-manager inhuurt, de tijdelijk leidinggevende dat het zoekt. De persoonlijkheidskenmerken van interim-managers botsen volgens hem nogal eens met de opdracht waarvoor zij staan. Ze zijn minder creatief dan ze zelf denken, en ze zouden minder de baas moeten spelen, maar juist meer moeten coachen en faciliteren.
Ook volgens De Ruijter handelen interim-managers vaak veel te veel vanuit hun ‘onderbuikgevoel’. ‘Ze leunen heel sterk op hun eigen ervaring, gekoppeld aan hun persoon. Aan overleg bij het bedrijf waar ze terechtkomen ontbreekt het daarom nogal eens.’
Daarnaast ligt volgens De Ruijter natuurlijk het geld op de loer. De gemiddelde interim-opdracht is volgens marktonderzoekbureau Synovate goed voor tachtigduizend euro. ‘Dat maakt voor een interim-manager de verleiding groot om een ‘opportunity snatcher’ te worden. Je moet voorkomen dat interim-managers geldverslindende machines worden. Je ziet vaak dat ze zelf weer nieuwe interimmers van hun eigen bureau bij hun opdrachtgever binnenkruien.’
Het komt volgens de hoogleraar nog te vaak voor dat er wordt gestreefd naar succes op korte termijn. ‘Ze mikken op laaghangend fruit’, legt De Ruijter uit. ‘En springen snel van de ene naar de andere opdracht, en het probleem waar ze eigenlijk voor werden ingehuurd blijft op de achtergrond nog steeds aanwezig.’
Alliantie
Samen met Witvliet organiseerde De Ruijter eind november het eerste Interim Management Congres. En het duo heeft met zijn onlangs opgerichte Instituut voor Interventie Management nog meer plannen. ‘Er moet zo snel mogelijk een executive masteropleiding komen’, zegt De Ruijter. ‘Dat moet een strategische alliantie worden tussen professionals en kennisinstituten. Daarover zijn we druk in gesprek met de Nyenrode Business University en de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschappen.’ Hoe die opleiding eruit moet zien weet De Ruijter al. ‘Een combinatie van praktijk- en studeerkamerwijsheid. Het gaat erom dat interim-managers hun kennis kunnen delen met hun collega’s en niet steeds opnieuw het wiel moeten uitvinden.’
Toch pleit de hoogleraar ook niet voor iets als de Orde van Advocaten. ‘Geen geheime genootschappen of eigen tuchtrecht. Maar wel meer duidelijkheid, over tarieven bijvoorbeeld. Voeg daarbij een opleiding en een kwaliteitskeurmerk en we kunnen dit vak naar een hoger niveau tillen. Opdrachtgevers weten dan beter waar ze voor betalen.’