Gepubliceerd: donderdag 7 mei 2009 23:53
Update: vrijdag 8 mei 2009 01:56
De uitslag van de stresstest is er. Nog eens 65 miljard dollar extra voor Amerikaanse banken en we kunnen weer rustig gaan slapen.
45 dagen lang hebben honderden specialisten eraan gewerkt: een test om te zien of de 19 grootste Amerikaanse banken de economische storm zullen doorstaan. De uitslag van deze langverwachte ‘stresstest’, gisteravond onze tijd in Washington gepresenteerd, is geen shocker: de belangrijkste resultaten zijn voortijdig uitgelekt.
De Amerikaanse minister van Financiën zei dat geen van de banken failliet dreigt te gaan. Volgens de test heeft vooral Bank of America een grote kapitaalinjectie nodig. Andere hulpbehoevende is Citigroup, dat al aan het overheidsinfuus ligt.
De regering hoopt dat met de uitslag ook de rust terugkeert in de financiële sector. Als dat lukt, dan zijn de banken in staat om gemakkelijker geld aan te trekken, en nog belangrijker: dat geld weer uit te lenen; noodzakelijk om de economie weer op gang te krijgen.
Maar voordat het zover is moeten al die miljarden er wel komen. Washington verwacht dat dankzij de transparantie die de test biedt, private investeerders bereid zijn met dat geld over de brug te komen, bijvoorbeeld door nieuwe aandelen te kopen. Zo niet, dan zit er waarschijnlijk niets anders op dan opnieuw diep in de overheidsbuidel te tasten.
Inmiddels is ook in Nederland een debat gaande over de vraag of er een Europese stresstest moet komen. Minister Wouter Bos (Financiën) riep dinsdag hier voorstander van te zijn. Hij zei er rekening mee te houden dat banken in de EU een tweede ronde miljardensteun nodig hebben.
Accountant KPMG liet gisteren weten niets te zien in zo’n test, die alleen ‘schijnzekerheid’ biedt. KPMG-partner Lex Dekkema vindt dat de zeer verschillende banken niet aan dezelfde test moeten worden onderworpen, omdat dit een vertekend beeld geeft.
Ook de Amsterdamse hoogleraar financiële markten Arnoud Boot (UvA) zei eerder dat een Europese test niet haalbaar is. ‘De verdeeldheid bij de Europese landen onderling over de wijze waarop dit zou moeten worden georganiseerd, is te groot.'