Door: Marcel Hulspas
Gepubliceerd: maandag 6 juli 2009 00:29
Update: maandag 6 juli 2009 00:39
Terwijl overal ter wereld met groot succes steeds meer genetisch gemanipuleerde gewassen worden geteeld, blijft Nederland hopeloos achter. Gevangen in de greep van conservatieve boerenbelangen en gen-angst gezaaid door actiegroepen als Greenpeace.
Een onderscheid maken tussen teelt en commercieel gebruik. Dat is wat minister Cramer drie weken geleden voorstelde aan haar collega-ministers van de Europese Unie, tijdens een bijeenkomst in Luxemburg. Volgens haar zouden genetisch gemanipuleerde gewassen (gewassen waarin genen uit andere planten zijn ingebracht) in Europa wel ontwikkeld mogen worden, en ook geteeld – maar dan niet hier op de markt gebracht. Het klinkt absurd, maar Cramer hoopt met dit voorstel enige beweging te krijgen in het Europese beleid inzake genetisch gemanipuleerde (‘gm-‘) gewassen. De besluitvorming binnen de EU is namelijk volledig vastgelopen. En dat dankzij een stel weigerachtige lidstaten die de eigen landbouw willen beschermen, en die opgestookt worden door lokale en internationale actiegroepen. Met name Greenpeace doet zijn uiterste best de Europese bevolking bang te maken voor gm-gewassen. En alle drogredeneringen lijken daarbij toegestaan.
Cramer heeft een lange weg te gaan. Verschillende collega-ministers voelen niets voor het toelaten van gm-gewassen, met name die uit Frankrijk, Italië en Oostenrijk. Anderen zijn solidair, of houden zich op de vlakte omdat ze vinden dat Brussel nationale belangen moet respecteren (een ‘principiële’ opstelling die later goed van pas kan komen). Alleen Nederland, Groot-Brittannië en Zweden zijn voorstander. Gevolg: stilstand. Al vele jaren. Op dit moment is slechts één gengewas (een maïsvariant) toegelaten. Het is te vinden in Spanje en Portugal – Frankrijk ook, tot voor kort, maar daar werd de teelt onlangs alsnog verboden. Maar Nederland heeft haast. Wanneer ons land zijn vooraanstaande positie op het gebied van landbouw en agrotechnologie wil behouden, moeten er veel meer gengewassen in de EU worden toegelaten, en ontwikkeld kunnen worden. Nu dreigt Europa een agrotechnologisch achterstandgebied te worden.
Te veel concessies
De eerste generatie genetisch gm-gewassen, zo’n twintig jaar geleden geïntroduceerd, zijn een ongehoord commercieel succes. Buiten de EU, met name in Noord- en Zuid-Amerika, staan al ruim honderd miljoen hectare gm-gewas. Tweederde van de soja, de helft van de katoen en kwart van de maïs en de koolzaad komt al van genetisch gemanipuleerde planten. En de ontwikkeling staat niet stil. Twee jaar geleden besloten Monsanto en BASF (twee grote spelers op dit gebied) anderhalf miljard dollar te investeren in extra productieve, droogteresistente varianten van soja, katoen, maïs en koolzaad. Maar vrijwel al het toegepast onderzoek op dit gebied gebeurt buiten de EU.
In een poging om de milieubeweging te paaien heeft Brussel onderzoeksinstituten strenge beperkingen opgelegd, waardoor ze zich eigenlijk uitsluitend bezig mogen houden met fundamenteel onderzoek. Of onderzoek in de marge. In ons land bijvoorbeeld is er de laatste jaren veel interesse voor ‘cisgenese’, genetische manipulatie waarbij geen plantvreemde genen worden ingebracht, maar uitsluitend genen afkomstig uit (andere varianten van) de plant zèlf. Dat is uiteraard een enorme beperking maar je moet toch wàt – en wie weet heeft de milieubeweging daar geen bezwaren tegen. (De vooraanstaande Belgische gentechnoloog Sjef Smeekens noemde de Nederlandse interesse voor dit onderzoek onlangs minachtend: ‘te veel concessies doen aan de tegenstanders.’) Maar terwijl de Europese labs een weg proberen te vinden langs EU-regelgeving en agressieve actievoerders, bloeien buiten de EU duizenden proefveldjes met de gewassen van morgen. De industrie laat Europa liever links liggen. De schaarse proefveldjes die worden toegelaten, lopen ook nog eens het risico vernield te worden door actievoerders.
Zwalkend beleid
Ondertussen probeert Brussel te laveren tussen onwillige lidstaten en de steeds grotere Amerikaanse druk om de import van genetisch gemanipuleerde gewassen toe staan. Zoiets mag alleen geweigerd worden op goede wetenschappelijke gronden en die zijn er niet, zo oordeelt de World Trade Organisation, die het EU-beleid drie jaar geleden dan ook streng veroordeelde. Het zwalkende EU-beleid heeft absurde consequenties: zo zet de Europese Commissie in het geheim de EFSA, de Europese voedselautoriteit, onder druk om gm-gewassen die eerder door de EFSA waren goedgekeurd, alsnog als ‘gevaarlijk’ te bestempelen, om ruzie met dwarsliggende lidstaten te voorkomen.
Het verzet van deze lidstaten heeft alles te maken met de bescherming van de eigen landbouw. Deze is vaak nog traditioneel, met veel kleine bedrijven, en de boerenstand (drijvend op EU-subsidies) heeft er nog grote politieke invloed. Veranderingen zijn ongewenst, en nieuwigheden per definitie verdacht. Zodra genetisch gemanipuleerde gewassen worden toegelaten, zo beweert men, zijn de nationale voedselproductie en de boerenstand ‘overgeleverd’ aan grote Amerikaanse bedrijven. Het gaat dus om verzet tegen technologische innovatie, in combinatie met een goedkoop anti-EU (en anti-Amerikaans) sentiment. Mogelijke milieueffecten, of wetenschappelijke bezwaren spelen een volstrekt ondergeschikte rol, ook al worden die natuurlijk wel steevast genoemd, want ze klinken veel beter dan de mededeling dat boeren beschermd moeten worden. Zo wapperen Oostenrijkse tegenstanders graag met een door deskundigen gekraakt ‘wetenschappelijk’ onderzoek dat zou aantonen dat muizen minder vruchtbaar worden van gm-voedsel.
Dergelijke onderzoeken zijn ook geschikt om de Europese consument angst aan te jagen. Die weet daardoor niet beter dan dat gm-gewassen wereldwijd een probleem zijn, en dat milieuproblemen en wetenschappelijke bezwaren in de discussie een hoofdrol spelen. Niets is minder waar. Publiek wantrouwen tegen gm-gewassen is een typisch Europees probleem, en de met veel aplomb verkondigde tegenargumenten zijn nauwelijks iets waard.
Overspringen
De argumenten van Greenpeace vallen in twee categorieën uiteen: gm-gewassen zijn gevaarlijk en ze zouden er niet moeten zijn. Jammer genoeg (voor Greenpeace) bestaan er geen harde wetenschappelijke bewijzen dat genetisch gemanipuleerde gewassen de volksgezondheid zouden kunnen schaden, maar de organisatie beschikt uiteraard over enkele onderzoeken waaruit dat zou moeten blijken. Dat deskundigen daar gehakt van maken, is voor Greenpeace niet van belang. Zoiets bewijst alleen maar dat wetenschappers, zodra ze Greenpeace tegenspreken, niet te vertrouwen zijn.
Een tweede argument uit de categorie ‘gevaarlijk’ is dat we niet weten wat er met de ingebrachte genen ‘gebeurt’. Ze zouden over kunnen springen op andere, wilde planten en zo de natuur (in Greenpeace-jargon) ‘vervuilen’. Dat ‘overspringen’ is niet onmogelijk (virussen zijn in principe in staat genen over te brengen van de ene plant op de andere), alleen is het in de tienduizenden proefveldjes met gm-gewassen, en na tien jaar gebruik op grote schaal, nooit gesignaleerd. Maar Greenpeace beroept zich simpelweg op gevaren die nog niet bestaan, maar ooit kunnen komen. ‘Het gebruik van gentechnologie,’ aldus woordvoerder Herman van Bekkem in de NRC van september vorig jaar, ‘is oncontroleerbaar, omdat je niet kunt voorspellen waar de genen uiteindelijk terechtkomen. Uiteindelijk heeft de consument geen keuze meer als hij de vervuilde producten niet op zijn bord wil.’
Greenpeace eist absolute zekerheid – en zet deze onmogelijke eis kracht bij met platte retoriek: ook al is nooit aangetoond dat genetisch gemanipuleerde voedingsmiddelen de gezondheid schaden, toch wil Van Bekkem dat de consument ze gaat beschouwen als ‘vervuilde producten’, als chemisch afval.
Weg met multinationals
De tweede categorie argumenten tegen gm-gewassen, ‘ze zouden er niet moeten zijn’, is weinig meer dan de oude groene maatschappijkritiek in een nieuw jasje. De wereldvoedselproductie, waarschuwt Greenpeace, wordt beheerst door een aantal grote bedrijven die de handel in zaadgoed beheersen. Zij zijn volgens deze club als geen ander verantwoordelijk voor de moderne agro-industrie en haar gebreken: monoculturen, het verdwijnen van kleine, zelfstandige boeren, en natuurlijk de honger in de wereld. Gm-gewassen zijn slechts de nieuwste manier van deze giganten om nog grotere winsten te maken. Daarom: weg met de multinationals, met gm-gewassen en monoculturen (die ziekten meer kansen geven). Geef het platteland terug aan de kleine boer en de alternatieve, biologische landbouw, dan komt alles goed.
Greenpeace richt zijn kritiek bij voorkeur op de multinational Monsanto, een bedrijf dat door jarenlang koppig te blijven investeren in gm-techniek en door slimme marktintroducties (gm-maïs die bestand is tegen Monsanto’s eigen bestrijdingsmiddel Roundup!) de onbetwiste marktleider is geworden. Het kleine, dappere Greenpeace tegenover de reus Monsanto: het heeft de romantiek van David tegen Goliath – een romantiek die Greenpeace bewust creëert omdat het die in zijn publiekscampagnes zo goed kan gebruiken. Maar het beeld is vals. Ten eerste omdat Monsanto zich niets aantrekt van Greenpeace (afgezien van de pr-afdeling). Ten tweede omdat Greenpeace, door de EU te dwingen steeds strengere eisen aan onderzoekers te stellen, er zèlf mede voor gezorgd heeft dat het gm-onderzoek nu alleen nog uitgevoerd wordt door grote, kapitaalkrachtige multinationals. Maar het meest verwerpelijk is natuurlijk dat Greenpeace de discussie vervuilt met versleten linkse idealen. Een wereld zonder multinationals, zonder monoculturen, met uitsluitend magere, milieubewuste consumenten, met politici die het voedsel eerlijk delen, met velden vol biologische keuterboertjes: wat klinkt dat mooi. Maar met dromen kunnen we de wereldbevolking niet voeden. De wereldbevolking groeit, en daarmee ook de vraag naar voedsel. Een verdere uitbreiding van het landbouwareaal op onze planeet kan alleen maar ten koste gaan van de toch al schaarse natuur. We zullen de productiviteit van het huidige areaal flink moeten vergroten, en daarnaast manieren moeten vinden om uitgeputte gronden opnieuw te benutten. Dat lukt ons niet met keuterboertjes die hun eigen poep uitrijden. Grootschalige landbouw, op basis van revolutionair verbeterde gewassen, kan uitkomst bieden. Gm-gewassen zijn niet hèt antwoord op de komende voedselcrisis, uiteraard niet. Het is slechts een van de technieken die we zullen moeten inzetten. Op de politiek rust een zware verantwoordelijk de wereldvoedselproductie rechtvaardig te organiseren. Maar als we de hongerende magen van morgen willen vullen, en de natuur willen sparen, dan moeten we gm-gewassen benutten. Alleen, Europa doet niet mee. De invloed van de verwende landbouwregio’s op de besluitvorming is te groot. En ondertussen probeert Brussel deze regio’s en de milieubeweging koest te houden met maatregelen als etikettering (dat de import van gegarandeerd ‘gm-vrije’ voedingsmiddelen vereist en ons voedsel extra duur maakt), en door onderzoekers het werken onmogelijk te maken.
Minister Cramer hoopt met haar voorstel enige beweging te krijgen in het Europese standpunt. Oostenrijk heeft toegezegd het voorstel te zullen bekijken, en komt eind dit jaar met zijn oordeel. Dan zijn we weer een half jaar stilstand verder.