Door: Toine Rongen
Gepubliceerd: donderdag 6 maart 2008 23:45
Update: donderdag 6 maart 2008 23:57
Gerard Kemkers coacht vooral op intuïtie en weet werkelijk alles van zijn schaatspupillen. Behalve wat ze bij TVM verdienen. 'Ik wil geen inzicht krijgen in de salarissen.'
Ik geloof heilig in ons team en de doelstelling om als team te werken. Ook al is het een individuele sport, in een gedisciplineerd georganiseerd collectief zoals het onze kunnen schaatsers enorme sprongen vooruit maken.
Door elkaar op te jutten, elkaar in de vele individuele programma’s te motiveren, maak je elkaar continu beter, scherper. Dat geldt trouwens niet voor iedereen. Niet iedere schaatser heeft zich daardoor bij ons thuis gevoeld en sommigen zochten hun heil ergens anders. Ik rol dag in dag uit onze filosofie over de ploeg uit en constateer elke keer weer dat het team zich daarbij uitstekend voelt. Zo las ik net op mijn mobieltje, dat de drie dames (Paulien van Deutekom, Renate Groenewold en Ireen Wüst, red.) samen voor Paulien op een woonboulevard nieuwe stoelen aan het uitzoeken zijn. Ook daar worden ze beter van.
‘Maar op de WK Afstanden in Nagano gaan ze alledrie voor dezelfde hoofdprijzen en natuurlijk creëert dat wel eens spanning. Maar wel gezonde spanning, waardoor ze op een hoger niveau gaan presteren. Schaatsers zijn namelijk van nature egocentrisch. Op het moment dat de wedstrijden eraan komen, hoort het zelfs om enigszins geprikkeld te zijn. Degene die de beste wil zijn, vertoont op zijn tijd asociaal gedrag. Je hoeft Sven Kramer in de aanloop van de toernooien nauwelijks te motiveren. Wedstrijden rijden zit in zijn bloed. Hij wordt zo scherp als een mes. Maar eenmaal met zijn allen op reis en aan het trainen zijn we een familie.’
‘Je moet goed beseffen dat topschaatsers zo’n 220 dagen per jaar niet thuis slapen. Eenzaamheid en monotonie liggen op de loer. Het is dan goed om een hecht team te zijn. We huren in de hotels een hele gang af. Alle deuren van onze slaapkamers staan vaak open en we lopen ongedwongen bij elkaar binnen. Als broer en zus, niet meer, niet minder. Ikzelf ben makkelijk benaderbaar. Ik gein mee, laat ook geintjes met me uithalen (zo liet Kemkers zich na het succesvolle EK kaal scheren, red.) en op de juiste momenten sta ik weer boven de groep. Mensen zien me vaak als een coach die zijn sport louter wetenschappelijk benadert. Maar het grappige daarbij is, dat ik mijn coaching juist veel meer op intuïtie baseer. Omdat je 24 uur bij elkaar bent, krijg je zoveel informatie dat je daarop vervolgens voortdurend je trainingen aanpast aan de veranderende stemmingen. Ik weet welk boek ze lezen, hoe ze hun kamer hebben ingericht, hoe ze zich voelen en hoe hoog de druk is. Dat zijn belangrijke raadgevers in het schrijven van een trainingsprogramma.’
‘Omgaan met de wedstrijddruk is voor iedereen een flinke uitdaging. Sinds enkele jaren werken we ook intensief met een sportpsycholoog (Hardy Menkehorst, red.). Ook op dat vlak is in de topsport enorme winst te behalen. Soms hoor je dat Erben Wennemars zich in de voorbereiding van een wedstrijd mentaal zo opfokt dat hij zich als het ware in de race opblaast. Dat is misschien wel een rode draad in zijn carrière en een punt waaraan we werken. Hij zou zijn energie tijdens de wedstrijden op een effectievere manier moeten aanwenden. Maar aan de andere kant is het ook weer zo dat diezelfde Wennemars op die manier vele prijzen bij elkaar heeft geschaatst en begin dit seizoen zelfs nog een wereldrecord op de 1500 meter reed. Wat is wijsheid? Mooie puzzels om samen met Erben en Hardy op te lossen.
‘Op weg naar Nagano besefte ik dat we eigenlijk pas tevreden mogen zijn als we minimaal met drie gouden plakken zouden terugkeren. Minder zou toch teleurstellend zijn? Terwijl ikzelf als coach eigenlijk al tevreden moet zijn als straks iedereen maximaal presteert binnen zijn fysieke mogelijkheden. Maar met deze groep, met drie wereldkampioenen, neem je daarmee natuurlijk geen genoegen. Bij ons betekent maximaal presteren inmiddels niks meer en niks minder dan gouden medailles.’
‘Maar altijd winnen is natuurlijk onmogelijk. Wel eis ik dat we elk jaar individuele progressie boeken. Hoewel we daarbij incalculeren dat je zo nu en dan pleistertjes moet leggen. Binnen de topsport begeef je je in het grensgebied. Er kan dus ook wel eens wat fout gaan. Zo ontbrak rond ons trainingskamp in september soms de balans tussen rust en activiteit waardoor we in de latere voorbereiding doelbewust wat gas moesten terugnemen.’
‘Verder leer ik veel van de organisatiestructuur in bijvoorbeeld het American Football. Voor elk type speler hebben ze een specialist. Mede daarom werk ik inmiddels al dertien jaar samen met de Amerikaanse krachtspecialist Jim McCartney. Hij ontwikkelde programma’s voor zwemmers, roeiers en footballspelers. Wij profiteren dagelijks van zijn brede onderbouwing.’
‘Het enige waar ik de laatste tijd weleens over dub is de vraag: ‘Wie coacht eigenlijk de coach?’ Niemand is namelijk feilloos, ook ik niet. Ik heb daarvoor geen specifiek iemand. Maar gelukkig kan ik heel goed over alle zaken mijn hart luchten bij Patrick Wouters, onze commerciële man, en ook aan mijn staf heb ik een enorme steun.’
‘De winst die ik dit jaar persoonlijk boekte, is dat ik het schaatsen beter kan loslaten, want in de afgelopen jaren liep ik daarover 24 uur te malen en te malen. In 2002 kreeg ik vermoedelijk daardoor sarcoïdose, een ziekte waardoor het immuunsysteem niet meer werkt en waarbij ik bijna letterlijk werd geveld door vreemde en agressieve reumatische bijverschijnselen. Alle gewrichten deden pijn. Ik kon bijna niet meer bewegen en voelde me per direct gehandicapt. Het kwam van de ene op de andere dag en duurde zeker anderhalve maand. Het was puur het gevolg van overwerk. Inmiddels slaag ik er zelfs midden in de winter in het schaatsen zo nu en dan ver van me af te parkeren. Ook daarin speelt ons team een belangrijke rol. Vanwege mijn twee ‘super-assistenten’ was het bijvoorbeeld mogelijk de wereldbekerwedstrijden in Inzell over te slaan en kon ik me lekker een lang weekend ontspannen bij mijn gezin. Bovendien werkte ik in de avonduren een berg privé-administratie weg en dat bezorgde me een voldaan en rustgevend gevoel, want door al dat reizen schiet dat er ook vaak bij in.’
‘Gelukkig kent mijn vrouw (de Italiaanse voormalig olympisch schaatsster Elke Felicetti, red.) de schaatswereld. Ik kwam haar voor het eerst op het ijs van Inzell tegen. Dat ze mijn wereld kent en begrijpt is voor mij heel belangrijk, want welke vrouw stemt er jaar in jaar uit mee in dat haar man ruim 220 nachten per jaar van huis is? Zoals zoveel schaatsers kozen mijn vrouw en ik er bewust voor pas later kinderen te nemen. Nu blijken mijn kinderen van twee en vijf echt een uitkomst te zijn. Ik vergeet mijn werk totaal wanneer ik bij ze in de buurt ben. Een prachtige tegenbalans in de hectiek van het seizoen.’
‘Verder doe ik graag van die simpele klusjes in de tuin of in en rond het huis. Voor de tv hangen lukt me niet goed. Dan begint het automatisch weer te spoken en loop ik weer naar mijn notitieblok voor een aantekening. Ook probeer ik drie tot vier keer per week zelf te sporten. Na dit gesprek ga ik zo’n 10 kilometer lekker lopen. Lekker een klein uurtje alles loslaten. Toch blijft dat een punt van aandacht, ik omschrijf mijn werk graag als het constant vooruitduwen van een berg werk. Ik wil nog altijd alles weten. Maar dan alleen op het technische vlak welteverstaan. Van de commerciële kant wil ik helemaal niets weten. De contracten van de sporters ken ik bijvoorbeeld niet en dat wil ik ook koste wat het kost zo laten. Stel dat ik de salarissen wel zou weten, dan ken ik daarmee de onderlinge verschillen en zou ik in de valkuil kunnen vallen dat ik de beter betaalde schaatser meer, of juist minder, aandacht ga geven. Voor mij, als hoofdcoach, is iedere sporter evenveel waard.’
Foto: Sake Elzinga/Hollandse Hoogte