Door: Thijs Zonneveld 
Gepubliceerd: dinsdag 9 maart 2010 21:02
Update: dinsdag 9 maart 2010 21:03
De vlag kan uit: we tellen weer mee in het wielerpeloton. De magere jaren zijn achter de rug. Welkom in de vette.
2009 was een rampjaar voor het Nederlandse
wielrennen. Robert Gesink viel van zijn fiets en Thomas Dekker van zijn
sokkel. Bauke Mollema werd geklopt door Pfeiffer en Lars Boom begon
zijn seizoen pas toen de rest van het peloton al maanden in het zadel
zat. Het was veelzeggend dat dé oranje held van 2009 (Kenny van Hummel)
probeerde om laatste te worden in de Tour de France en zelfs daar niet
in slaagde.
Maar dit is 2010. Waar er de eerste weken van dit
seizoen ook wordt gekoerst: er rijden Nederlanders van voren. Of het nu
in de woestijn is (Wouter Mol won de Ronde van Qatar) of op de
Belgische Noordpool (Bobbie Traksel dreef boven tussen de ijsschotsen
van Kuurne-Brussel-Kuurne). Johnny Hoogerland en Robert Gesink
scharrelden ereplaatsen bij elkaar en Theo Bos – in 2009 nog de man die
de Zuid-Afrikaan Daryl Impey de hekken in smeet – sprintte in Spanje de
Britse torpedo Mark Cavendish op een hoopje.
Drie meter
En er was Lars Boom. Hij blies de beste renners van
de wereld omver in de proloog van Parijs-Nice. Tot verrassing van alles
wat niet oranje dacht. Luister naar de Franse commentatoren: ‘Daar komt
Alberto Contador op de finish afgereden. De tijd tikt mee onder in
beeld. Tweehonderd meter nog. Honderd... Hij haalt het, hij haalt
het... niet! (Stilte) Laars Boem wint de proloog van Paris-Nice. Hoe
kan dat nu?’ Even later, als Boom een gele trui krijgt omgehangen:
‘Moet je hem zien staan op dat podium. Hoe groot is hij? Twee meter?
Drie meter? Waar halen les Hollandais al die talenten ineens vandaan?’
Goede vraag. Hier de vijf redenen waarom 2010 een oranje topjaar wordt.
Eén: We hebben mazzel dat de ooievaar zijn vracht in
het goede landje heeft afgeworpen. Rabobank-trainer Louis Delahaije:
‘Voor talenten als Robert Gesink, Bauke Mollema en Lars Boom moeten we
de papa’s en de mama’s bedanken voor de genen die ze erin hebben
gestopt. Renners zoals zij zijn niet maakbaar, hoe goed de opleiding
ook is.’
Twee: Zien winnen doet winnen. Het
als-hij-wint-dan-kan-ik-het-toch-ook-gevoel. De topklasseringen van de
Gesinks en de Booms stuwen ploeg- en landgenoten op.
Drie: De opleidingsstructuur. Jarenlang slaagden de
talenten van het opleidingsteam van Rabobank er niet of nauwelijks in
de brug te slaan naar de grote jongens. Ze werden in het diepe gegooid
en moesten zelf leren zwemmen. Dat is nu anders. Rabobank heeft ook in
het profteam meer aandacht voor de ontwikkeling van jongeren. Het is
veelzeggend dat Nico Verhoeven, oud-ploegleider van het opleidingsteam,
dit jaar is doorgeschoven naar de grote jongens.
Vier: Rabobank is niet langer de enige grote
Nederlandse wielerploeg. De bankploeg wordt in de rug gedekt door
Skil-Shimano en Vacansoleil, die allebei de status van derderangs
ploegen inmiddels ontgroeid zijn. Daardoor krijgen meer Nederlandse
renners een kans. Of een tweede. Of een derde. Beste voorbeeld:
‘Sjonnie’ Hoogerland. Het heeft een tijdje geduurd voordat het kwartje
viel – maar nu het eenmaal is gevallen, doet Sjonnie mee voor de
jackpot in vrijwel alle grote koersen. Vacansoleil-manager Daan Luijkx:
‘Met drie profteams krijgen meer coureurs een kans. Wie niet bij de ene
ploeg past, past dan misschien wel bij de andere.’
Rabobank is trouwens ook niet de enige ploeg die
renners opleidt. De huidige generatie Nederlandse coureurs komt overal
en nergens vandaan. Sommigen volgden de Rabo-weg, anderen namen ergens
een afslag of verkozen een hobbelig karrenspoor. Zo is Theo Bos
overgewaaid van de baan, was Lieuwe Westra tot voor kort gabber en
werkte Albert Timmer een paar jaar geleden nog gewoon als fietsenmaker.
Vijf: Minder dope. Nee, natúúrlijk is doping niet
helemaal uit het peloton verdwenen. En nee, ook voor Nederlandse
coureurs moet je je handen niet in het vuur steken. Zie Thomas Dekker.
Maar de tijd is voorbij dat epogebruik bijna een verplichting was om
mee te kunnen doen in de grote koersen. Er wordt de laatste jaren
zoveel méér en strenger gecontroleerd dat je op zijn minst kunt stellen
dat de marges voor dopinggebruik veel smaller zijn geworden.
Wie nu op z’n Bjarne Riis met een hematocrietwaarde
van 60 in de rondte rijdt, overleeft geen enkele dopingcontrole. En dat
vertaalt zich naar de koers. Het laboratoriumwielrennen domineert niet
meer. Jonge renners breken sneller door omdat ze niet worden afgeslacht
door een stel onvermoeibare robots.
Bewijs? Kijk eens naar de klimtijden van Alpe d’Huez
van de afgelopen decennia. Tijden uit de jaren negentig domineren de
top-20. Zo was Marco Pantani (met een twee kilo zwaardere fiets) in
1995 ruim 2,5 minuut sneller dan Sastre in 2008. Alle reden dus om
gematigd positief te zijn. Lars Boom wint Parijs-Nice, Theo Bos
Milaan-San Remo, Sebastian Langeveld de Ronde van Vlaanderen en Robert
Gesink is in juli de enige die Contador kan volgen. En zo niet? Dan
wordt het 2011.