Door: Marcel Hulspas » Meer columns van Marcel Hulspas Gepubliceerd: donderdag 25 februari 2010 00:22Update: donderdag 25 februari 2010 00:40
Nog twee jaar, heren. Dan ligt-ie in de winkel. De spermateller. In Twente hebben ze een chip ontwikkeld die in een druppeltje sperma bliksemsnel de zaadjes telt. Wat nog ontbreekt is een chipje dat hun beweeglijkheid meet. Onderzoekster Loes Segerink, in het AD: ‘We zijn bezig om dat voor elkaar te krijgen.’ Nog even, dan kunnen we op ieder moment van de dag meten hoe het met onze vruchtbaarheid gesteld is. Want je weet maar nooit.
Weet u nog wanneer u uit het Paradijs werd geduwd? Dat was zeventien jaar geleden, door Richard Sharpe en Niels Skakkebaek. In een inmiddels vermaard artikel in The Lancet constateerden ze (op basis van Deense spermamonsters) dat de mannelijke vruchtbaarheid al zo’n halve eeuw achteruit kachelt. Groot was de schrik. Vanaf dat moment waren alle mannen een beetje ziek. Onvruchtbaarheid was geen probleem meer van een zielige minderheid – allemaal gingen ze er voortaan onder gebukt. Hoe kwam dat? Horden onderzoekers stortten zich op de schaarse gegevens. De een vond een daling, de ander vond niks (die had natuurlijk niet goed gekeken). Begin 2004 trok een Schotse studie veel aandacht: ook tussen 1990 en 2000 was er een daling geweest in de aantallen zaadcelletjes. De gegevens waren verzameld in een vruchtbaarheidskliniek in Aberdeen. Dramatisch? Of had al het gepraat over onvruchtbaarheid bij mannen meer probleemgevallen over de drempel van de kliniek getrokken? En als het al waar was, wat zou de oorzaak kunnen zijn? Was het de sigaret wellicht? Waren het moeders sigaretjes geweest? Strakke spijkerbroeken? Hete bureaustoelen? Centrale verwarming? Sharpe en Skakkebaek dachten aan ‘xenoestrogenen’: chemische stoffen die op vrouwelijke hormonen leken en in allerlei producten verwerkt werden. Verdachten genoeg dus. Maar geen enkel onderzoek leverde een dader op. En die daling, is die nu reëel of niet? De wetenschap tast in het duister. En de man is de pineut.
Gelukkig kan hij straks lekker thuis zijn sperma meten. ‘Een milliliter’, aldus het AD, ‘moet ten minste 20 miljoen zaadcellen bevatten om als vruchtbaar te worden aangemerkt.’ Dat is onzin natuurlijk. De teelballen gaan ernstig gebukt onder een door de evolutie aangejaagde chronische overproductie. Er is geen echte ondergrens – één zaadcel volstaat om vader te worden. Twintig miljoen is ruwweg het gemiddelde. Als het aan het AD ligt, is de helft van de mannen straks onvruchtbaar. En de zaadproductie schommelt flink, dus met die Twentse spermameter in de hand, zitten vrijwel alle mannen straks regelmatig in de gevarenzone. Dankzij de wetenschap en haar spookverhalen wordt seks nooit meer wat het geweest is.marcel.hulspas@depers.nl