Door: Marcel Hulspas 
Gepubliceerd: donderdag 25 februari 2010 00:19
Update: donderdag 25 februari 2010 00:39
Koos Groen diepte het verhaal op van de tienduizenden ‘landverraders’ die na de oorlog werden vastgezet en vaak ernstig mishandeld.
‘De commandant, Kalf genaamd, zei dat we nu te zien zouden krijgen hoe werd gehandeld met geïnterneerden die probeerden te ontvluchten. Een aantal bewakers, ik schat ongeveer twintig, vormden toen een cirkel. Heinsbergen werd in die kring gebracht en moest hard lopende, de kring aan de binnenzijde langs gaan. Elk der bewakers mocht hem dan slaan, schoppen of anderszins pijnigen naar believen. Zij gingen hierbij zo ver dat Heinsbergen machteloos neerviel. Toen hij weer wat tot zichzelve was gekomen, herhaalden ze hun wreedheid.’
Een getuigenverklaring van een vrouwelijke gevangene in kamp Sectorpark, in de gemeente Halfweg. Niet uit de oorlogsjaren, maar van vlak daarna: juli 1945. De bewakers waren geen Duitsers maar Nederlanders en de geïnterneerden geen joden maar NSB’ers, ‘landverraders’. Zo vlak na de oorlog telde ons land honderden van dergelijke geïmproviseerde kampen. Vaak waren de omstandigheden erbarmelijk en was de behandeling er simpelweg beestachtig; weinig verschillend van die in de Duitse werkkampen tijdens de oorlog. Onderzoeksjournalist Koos Groen citeert veel van dit soort verslagen, vele schokkender dan dit. In zijn boek Fout en niet goed schat hij dat er in totaal zo’n 240 gevangen door geweld zijn omgekomen: ‘Het is natuurlijk geen Auschwitz, maar ook niet niks.’
De zuivering van de Nederlandse samenleving na de Tweede Wereldoorlog was een aanfluiting – en een politiek schandaal. Duizenden mensen werden lukraak opgepakt en maandenlang vastgehouden, zonder bed, zonder enige privacy, vaak ondervoed, zonder dat ze wisten waarom ze vast zaten, zonder dat ze een beroep konden doen op enige rechtsbijstand. Duizenden die vaak niets, of nauwelijks iets, op hun kerfstok hadden. Een flirt met een Duitser of een passief NSB-lidmaatschap waren voldoende voor een beestachtige behandeling.
Wereldvreemd
De oorzaak van veel ellende, aldus Groen, was Hare Majesteits regering in ballingschap. Hij noemt het oorlogskabinet ‘slap’ en ‘weinig inventief’. Maar incompetentie was één oorzaak van deze zwarte bladzijde; de andere was koningin Wilhelmina zélf. Ze haatte ‘landverraders’ en dacht dat deze categorie later met gemak apart gezet kon worden. Ook stelde ze hen via Radio Oranje zware straffen in het vooruitzicht. Ze was, kortom, wereldvreemd. Ze was er ook van overtuigd dat Nederland ‘vernieuwd’ moest worden. Weg met de politieke partijen, weg met de parlementaire democratie. Oranje moest het voor het zeggen krijgen. Om dat te bereiken, deed ze er alles aan om te voorkomen dat de door haar geminachte regering terugkeerde naar bevrijd Nederland, en zorgde ze ervoor dat daar het ‘militair gezag’ gevestigd werd, onder leiding van haar vertrouweling generaal Kruls.
En om te voorkomen dat de communisten van de chaos gebruik zouden maken en de macht zouden grijpen, gaf ze schoonzoon Bernhard de opdracht het verzet en andere ‘goede’ Nederlanders samen te bundelen in de Binnenlandse Strijdkrachten. Deze BS’ers, aangevuld met gajes en overlopers en gedekt door de prins, zorgden voor een ongekende arrestatiegolf. Niet gehinderd door regering, bestuur of politie.
De chaos was compleet. Niemand wist wie, waar, waarom was aangehouden. Uiteindelijk zaten er zo’n 100 à 150.000 mensen vast, onder de meest erbarmelijke omstandigheden. Vooral berucht waren de interneringskampen De Harskamp bij Ede (Groen: ‘Buchenwald op de hei’) , Levantkade in Amsterdam en de Scheveningse gevangenis – en uiteraard werden de Duitse lager zoals Vught, Amersfoort en Westerbork ook in gebruik genomen. Tegen de winter van 1946 zat de regering met een schier onoplosbaar probleem. Minimale opvang van die massa was schreeuwend duur (en ons land was straatarm), en een behoorlijke berechting zou vele jaren duren.
Zorgvuldig, uitputtend en met een ruime scheut verontwaardiging en cynisme, beschrijft Groen in dit vuistdikke boek de opkomst van deze kampen en van de Bijzondere Rechtspraak, met zijn inderhaast samengestelde rechtbanken en ‘lekentribunalen’, de bestuurlijke vetes, blunders en noodwetjes en, uiteindelijk, de massale, in grote haast uitgevoerde gratieverlening waar menige echte oorlogsmisdadiger ook van heeft geprofiteerd.
Geen poot aan de grond
Wilhelmina’s poging om de macht naar zich toe te trekken liep hopeloos vast. Het optreden van de BS wekte alom afschuw, en de op haar initiatief opgerichte ‘Nederlandse Volksbeweging’ kreeg geen poot aan de grond. (Eigen schuld: de door haar naar voren geschoven NVB-leider Jan de Quay had tijdens de oorlog met de Duitsers aangepapt, en had toen zelfs verzet veroordeeld!) Wellicht wist ze inmiddels ook dat haar geliefde schoonzoon Bernhard een oud-SS’er was en dus verder onbruikbaar. In de jaren 1946/47 keerde het tij. Na het machteloze kabinet-Schermerhorn kon de socialist Willem Drees een kabinet formeren met werkelijke macht. De eerste verkiezingen herstelden de vooroorlogse politieke verhoudingen. De bevolking wilde rust en orde; op enkele diehards uit het verzet na was niemand nog geïnteresseerd in de geïnterneerden.
Het gratiebeleid werd doorgedrukt (met de stille zegen van Drees) door een aantal katholieke ministers van Justitie die, zoals dat toen nog gewoon was, goed luisterden naar de kardinaal en de paus. Het Vaticaan drong al tijden aan op ‘barmhartigheid’. 1950 werd door paus Pius zelfs uitgeroepen tot het Jaar van de Grote Vergiffenis. Voor hem was de strijd tegen het communisme veel belangrijker, en daarbij konden ex-nazi’s goede diensten bewijzen. Het laatste interneringskamp sluit in 1949 de poorten. De laatste 24 gevangenen verdwijnen in een gewone gevangenis. Wat resteerde, was schaamte.