Door: Marcel Hulspas 
Gepubliceerd: donderdag 2 september 2010 23:54
Update: vrijdag 3 september 2010 06:27
Hoe het proces tegen Alfred Dreyfus de Derde Republiek op de rand van de afgrond bracht.
Daar was hij dan. Na vijf jaar te zijn opgesloten, getreiterd en uitgehongerd op Duivelseiland. Na vijf jaar lang het onderwerp te zijn geweest van de meest bittere politieke strijd die Frankrijk ooit had doorstaan. De hele stad Rennes zat overvol mede- en tegenstanders; en daar was Alfred Dreyfus, klaar om te verschijnen voor het militair tribunaal. In een opgevuld uniform om zijn uitgemergelde gestalte te verhullen. Het was de tweede keer dat hij voor de rechters verscheen. Maar ook deze keer waren de rechters vast van plan om hem niet te laten ontsnappen. De jood was schuldig.

Vijf jaar daarvoor had een werkster, tevens spionne, een kattebelletje uit een prullenmand in de Duitse ambassade in Parijs gevist. Dat briefje bewees dat een Frans officier spioneerde voor de Duitsers. Een verdachte bleek verrassend snel gevonden: ook al was hij een vurig nationalist, ook al had hij geen enkel motief om te spioneren en ook al was het briefje absoluut niet in zijn handschrift, Alfred Dreyfus voldeed aan het ‘daderprofiel’ dat de Generale Staf had opgesteld. Hij werd opgepakt, ondervraagd, en veroordeeld tot levenslang op Duivelseiland. Een snelle dood tegemoet. Alleen Alfreds vrouw, zijn broer en een handjevol eigenzinnige collega’s wisten dat hier een gruwelijke vergissing was begaan. Maar er was geen weg terug. Antisemieten en nationalisten kraaiden inmiddels victorie. De eer van het leger, van Frankrijk, stond op het spel – en was gered.
Diep verdeeld
De Affaire-Dreyfus leefde voort. Al gauw werd duidelijk dat er bij het proces grove fouten waren gemaakt; dat het kattebelletje geschreven was door de louche officier Ferdinand Esterhazy en dat er in opdracht van hogerhand met ‘bewijsmateriaal’ was geknoeid. Esterhazy kwam voor de rechter – en werd vrijgesproken. Dat was het moment dat de zaak echt uit de klauwen liep. Emile Zola, de grote schrijver, publiceerde in de krant L’Aurore een felle aanklacht (‘J’accuse’) tegen de legerleiding. Zola werd belaagd, met de dood bedreigd, voor de rechter gedaagd – en veroordeeld. Voor- en tegenstanders van Dreyfus vlogen elkaar overal in de haren. De toch al wankele Derde Republiek werd onbestuurbaar.
Achteraf, nu we weten hoe de affaire zou aflopen, wordt vaak gedacht dat de Franse samenleving op dat moment volgens heldere scheidslijnen uiteen viel: in een dappere club van ‘Dreyfusards’ (intellectuelen, wetenschappers, joden, liberalen en verdedigers van de Rechten van de Mens) en verstarde ‘anti-Dreyfusards’: conservatieven, katholieken, antisemieten en ultranationalisten die in alle heisa een samenzwering zagen tegen de God, Frankrijk en het Franse leger. Maar zoals Ruth Harris in haar boek Dreyfus duidelijk maakt, was die scheiding in het begin helemaal niet vanzelfsprekend. Vrienden die altijd gedacht hadden dat ze elkaar door en door kenden, ontdekten tot hun ontzetting dat ze hierover radicaal van menig verschilden.
En wat ook vaak vergeten wordt, is dat die twee partijen zélf diep verdeeld waren. Juist de terugkeer van Dreyfus in 1899, een gebeurtenis die hun triomf had moeten worden, deed de Dreyfusards uiteen spatten. Ten eerste doordat ze verloren. Tot hun stomme verbazing werden alle valse beschuldigingen herhaald. Dreyfus’ verdediging stortte ineen, en hij werd opnieuw veroordeeld. Zijn vrouw en broer wisten dat Dreyfus, die na vijf jaar Duivelseiland nauwelijks kon eten, lopen of praten, een tweede verblijf in gavengenschap nooit zou overleven.
Theodor Herzl
Op dat moment stelde Joseph Reinach, een rijke joodse bankier en al jaren de drijvende kracht achter de beweging, voor om de Franse president om gratie te vragen. De familie was vóór; andere Dreyfusards waren woedend. Dat was vragen om vergeving; dat was een schuldbekentenis! Zij wilden doorvechten tot het einde, ook al kostte dat Dreyfus het leven.
Maar Reinach kreeg zijn zin. De Franse regering eiste daarbij amnestie voor iedereen die misdaden had gepleegd, dus inclusief de samenzweerders in de Generale Staf. De affaire moest afgesloten worden. Opnieuw heftige tegenstand – maar ook dat gebeurde. Dreyfus was een vrij man. De generaals gingen vrijuit.
De negentiende eeuw kende vele emotionele ‘affaires’, maar geen liep zo hoog op, en had zulke grote gevolgen als de Zaak-Dreyfus. Harris besteedt er veel te weinig aandacht aan, maar de zaak betekende de geboorte van de ‘intellectueel’: de wetenschapper/publicist die met zijn neus in de boeken zit, maar ook op de barricaden staat. De affaire maakte het antisemitisme én het socialisme salonfähig, en leerde ‘rechts’ hoe het de massa kon mobiliseren.
En dankzij de zaak kwam de jood Theodor Herzl tot de conclusie dat joden nergens veilig waren, zelfs niet in Frankrijk, en dus een eigen staat moesten stichten. Die zou uiteindelijk Israël gaan heten. In Frankrijk zélf bracht de zaak de fel antikatholieke regering-Combe aan de macht, die een strenge scheiding doorvoerde van kerk en staat, de nu als ‘typisch Frans’ vereerde laïcité.
De Franse antisemieten likten hun wonden, maar konden veertig jaar later tijdens het nazibewind bloedig wraak nemen. Toen hun voorman Charles Maurras in 1945 wegens collaboratie ter dood werd veroordeeld, snauwde hij de rechters toe: ‘Het is de wraak van Dreyfus!’
* Ruth Harris, Dreyfus - Politics, emotion, and the scandal of the Century. Metropolitan Books, 31,45 euro.